Betekenis van:
heer

heer
Zelfstandig naamwoord
  • man
"Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert."
heer
Zelfstandig naamwoord
  • belangrijk persoon
"De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden."
heer
Zelfstandig naamwoord
  • man
"Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert."
heer
Zelfstandig naamwoord
  • belangrijk persoon
"De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden."
heer
Zelfstandig naamwoord
  • welgemanierd persoon, gentleman
heer
Zelfstandig naamwoord
  • zekere kaart in het kaartspel
heer
Zelfstandig naamwoord
  • aanspreektitel voor mannelijke personen
heer
Zelfstandig naamwoord
  • houder van zekere adellijke titel
heer
Zelfstandig naamwoord
  • bezitter van een heerlijkheid
heer
Zelfstandig naamwoord
  • persoon in wiens dienst men staat, meester
heer
Zelfstandig naamwoord
  • heerser
heer
Zelfstandig naamwoord
  • welgemanierd persoon, gentleman
heer
Zelfstandig naamwoord
  • deftig persoon
heer
Zelfstandig naamwoord
  • heerser
heer
Zelfstandig naamwoord
  • deftig persoon
heer
Zelfstandig naamwoord
  • '''heer''' (''onveranderlijk''); leger
heer
Zelfstandig naamwoord
  • zekere kaart in het kaartspel
heer
Zelfstandig naamwoord
  • aanspreektitel voor mannelijke personen
heer
Zelfstandig naamwoord
  • houder van zekere adellijke titel
heer
Zelfstandig naamwoord
  • bezitter van een heerlijkheid
heer
Zelfstandig naamwoord
  • persoon in wiens dienst men staat, meester
heer
Zelfstandig naamwoord
  • '''heer''' (''onveranderlijk''); leger