Betekenis van:
klem

klem
Zelfstandig naamwoord
  • een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
"Als je de twee gelijmde stukken een nachtje in de klem zet, komen ze goed vast te zitten."
klem (de ~ | meervoud klemmen)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp om iets vast te klemmen
"in de klem"
"[in de] klem zitten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

klem (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • nadruk; nadruk; extra kracht; extra kracht
"met klem [spreken/beweren]"
"iets met klem van redenen betogen"

Synoniemen

Hyperoniemen

klem
Zelfstandig naamwoord
  • knellende greep

Hyperoniemen

klem (de ~ | meervoud klemmen)
Zelfstandig naamwoord
  • val voor dieren

Hyperoniemen

klem (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • tetanus; bepaalde infectieziekte

Synoniemen

Hyperoniemen

klem
Bijvoeglijk naamwoord
  • in de knel; vast; klem; klem
"klem zitten"
"zich klem praten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord