Betekenis van:
rot

rot (het ~ | meervoud rotten)
Zelfstandig naamwoord
  • achter elkaar opgestelde rij manschappen
"in rotten van [vier/tien]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

rot
Zelfstandig naamwoord
  • een persoon die al lang meedraait
"Dat is een oude rot in het vak."
rot
Zelfstandig naamwoord
  • het rottingsproces, bijvoorbeeld van etenswaar
"In die aardappels zit de rot."
rot
Zelfstandig naamwoord
  • het bederven; het door schimmels, bacteriën enz. aangetast raken van organische stoffen; bederf; bederf

Synoniemen

Hyperoniemen

rot
Bijvoeglijk naamwoord
  • tot organisch bederf overgegaan
"(een) rotte appel/bladeren/eieren/vis/kies/kozijnen/vloer"
"vroeg rijp, vroeg rot"

Hyperoniemen

rot
Bijvoeglijk naamwoord
  • verrot, bedorven
"Zo rot als een mispel."
rot
Bijvoeglijk naamwoord
  • beroerd, onaangenaam
"Hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt."
rot
Bijvoeglijk naamwoord
  • omkoopbaar

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord