Betekenis van:
uitlopen

uitlopen
Werkwoord
  • vlekkerig worden
"inkt loopt uit"

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • een voorsprong uitbouwen
"uitlopen op [de tegenstanders/achtervolgers]"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • langer duren dan verwacht
"De vergadering liep uit."
uitlopen
Werkwoord
  • nieuwe takjes en blaadjes krijgen
"De lente is vroeg en bomen lopen al uit."
uitlopen
Werkwoord
  • lopend een ruimte verlaten
"Hij is woedend de kamer uitgelopen."
uitlopen
Werkwoord
  • langer duren dan verwacht
"de vergadering is wat uitgelopen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitlopen
Werkwoord
  • ''~ op'': resulteren in iets, als gevolg hebben
"Dat is uitgelopen op een grote nederlaag."
uitlopen
Werkwoord
  • vaart verliezen
"een auto laten uitlopen"

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • ergens heen gaan
"uitlopen om een brand gade te slaan"
"te laat uitlopen"

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • ten einde lopen, helemaal lopen

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitlopen
Werkwoord
  • (van een doelverdediger) uit het doel komen

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • door te lopen zich ontspannen

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • door lopen slijten en daardoor minder goed sluiten

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • (schoenen) wijder maken door erop te lopen

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • naar het einde toe breder worden

Hyperoniemen

uitlopen
Werkwoord
  • een ruimte lopend verlaten

Hyperoniemen

uitloop (de ~ | meervoud uitlopen)
Zelfstandig naamwoord
  • rioolmond

Hyperoniemen

uitloop (de ~ | meervoud uitlopen)
Zelfstandig naamwoord
  • het nog bewegen na uitdoen v.d. motor

Hyperoniemen