Vertaling van running

Inhoud:

Engels
Nederlands
run, running {zn.}
ren 
running, track {zn.}
renbaan [m] (de ~)
running, track {zn.}
track [m] (de ~)
running, track {zn.}
wielerbaan [m] (de ~)
piste
velodroom [m] (de/het ~)
administration, management, governance, running {zn.}
administratie  [v]
beheer  [o]
bestuur  [o]
toediening [v]
The administration makes important decisions.
De administratie neemt belangrijke beslissingen.
The administration decided to move the home office of the company to Hawaii.
De administratie besliste de zetel van de firma te verplaatsen naar Hawaï.
running, track {zn.}
hoefslag [m] (de ~)
to race, to run, to dash, to speed, to sprint, to stampede {ww.}
hardlopen
hollen
racen
rennen 
snellen
sprinten

I am running

to run {ww.}
hardlopen
hollen
rennen 
snellen

I am running

to roll, to revolve, to run {ww.}
rollen
slingeren 

I am running

to function, to operate, to run, to work, to perform, to act {ww.}
functioneren 
het doen
in zijn werk gaan
werken 

I am running

to flow, to run, to stream, to float {ww.}
lopen 
stromen 
vlieten
vloeien

I am running

to collide, to run {ww.}
aanrijden
voorrijden

I am running

to run, to expand, to extend, to range, to reach, to stretch, to spread {ww.}
lopen 
reiken
zich uitstrekken

I am running

run, running {zn.}
rennen
hardlopen
draven
galopperen
hollen
I can run.
Ik kan rennen.
I'm able to run.
Ik kan rennen.
functional, operative, running, working {bn.}
functioneel
run, running, running game, running play {zn.}
relletje
run, running, running game, running play {zn.}
looptraining

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I saw him running.

Ik heb hem zien rennen.

The car is running fast.

De auto rijdt snel.

I'm running out of ideas.

Mijn ideeën raken op.

How fast she is running!

Hoe snel ze loopt!

Running is good for your health.

Lopen is goed voor je gezondheid.

A dog was running after a cat.

Een hond rende achter een kat aan.

You're just running away from life's problems.

Je gaat de problemen van het leven gewoon uit de weg.

She glimpsed him running through the crowd.

Ze ving een glimp van hem op terwijl hij door de menigte liep.

Running is good for the health.

Hardlopen is goed voor de gezondheid.

Tom came running with a letter from Judy.

Tom kwam aangerend met een brief van Judy.

He came back not because he was homesick, but because he was running short of money.

Hij kwam niet terug vanwege heimwee, maar omdat hij bijna door zijn geld was.

She called out to him, with tears running down her cheeks.

Ze riep naar hem, terwijl tranen over haar wangen rolden.

It must be terribly difficult, running her household on her own after divorcing.

Het moet enorm moeilijk voor haar zijn het huishouden alleen te runnen na de scheiding.


Gerelateerd aan running

run - track - administration - management - governance - race - dash - speed - sprint - stampede - roll - revolve - function - operate - workarea - composition - course - mark - walk - commotion - exercise