Vertaling van gegeven

Inhoud:

Nederlands
Engels
gegeven [o] {zn.}
data 
gegeven [o] (het ~), issue [m] (de/het ~), item [o] (het ~), thema [o] (het ~), onderwerp [o] (het ~), punt [o] (het ~) {zn.}
subject
topic
matter
issue
Ons thema van de week is: _____.
Our topic of the week is: _____.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
Your question is not relevant to the subject.
gegeven [o] (het ~) {zn.}
point
item
detail
Ik zou willen dat mijn cijfers me meer konden schelen, maar het lijkt erop dat ik op een gegeven moment in mijn leven besloten heb dat die niet zo belangrijk meer zouden…
I wish I could care more about my grades but it seems that, at a certain point of my life, I decided it wouldn't be so important anymore.
gegeven [o] (het ~) {zn.}
fact
gegeven {bn.}
certain
sure
gegeven [o] (het ~) {zn.}
information
data
geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen {ww.}
to give
to accord
to administer
to grant 
to impart
to provide 
to confer
to allow 
to yield 
to spare 
to afford 

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have given
you have given
he/she/it has given
» meer vervoegingen van to give

onderhavig, gegeven, voorliggend {bn.}
doubtful
dubious
dubitable
in question
geven {ww.}
to give
to yield
to return
to render
to generate

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have given
you have given
he/she/it has given
» meer vervoegingen van to give

Koeien geven melk.
Cows give milk.
Zij geven niets.
They give nothing.
geven, schenken {ww.}
to give
to present
to gift

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have given
you have given
he/she/it has given
» meer vervoegingen van to give

Ik weet niet zeker aan wie ik dit cadeau moet geven: aan het meisje of aan de jongen?
I'm not sure whom I should give this present: to the girl or to the boy?
Kunt u ons een paar voorbeelden geven?
Please give us some examples.
onderwijzen, doceren, lesgeven, onderrichten, geven {ww.}
to teach
to learn
to instruct

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have taught
you have taught
he/she/it has taught
» meer vervoegingen van to teach

Lesgeven aan jonge kinderen is niet makkelijk.
To teach young children is not easy.
Is meneer Davis naar Japan gekomen om Engels te onderwijzen?
Did Mr. Davis come to Japan to teach English?
geven {ww.}
to mind

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have minded
you have minded
he/she/it has minded
» meer vervoegingen van to mind

geven {ww.}
to give

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have given
you have given
he/she/it has given
» meer vervoegingen van to give

geven, hechten, houden {ww.}
to love

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have loved
you have loved
he/she/it has loved
» meer vervoegingen van to love

geven, inzetten {ww.}
to commit
to consecrate
to dedicate
to devote
to give

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have committed
you have committed
he/she/it has committed
» meer vervoegingen van to commit

geven, opleveren {ww.}
to chip in
to contribute
to give
to kick in

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

I have contributed
you have contributed
he/she/it has contributed
» meer vervoegingen van to contribute


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Mijn oom heeft mij een boek gegeven.

My uncle gave me a book.

Ze heeft dertig jaar lang muziekles gegeven.

She taught music for thirty years.

Vraag en u zal gegeven worden.

Ask, and it shall be given you.

Mijn oom heeft mij een fototoestel gegeven

My uncle gave me a camera.

De dokter heeft mij een inspuiting gegeven.

The doctor gave me a shot.

Aan wie hebt u het gegeven?

To whom did you give it?

Ik heb de boeken aan deze student gegeven.

I gave the books to this student.

Drie schepen werden door koningin Isabella aan Columbus gegeven.

Three ships were given to him by the queen.

Het was hem niet gegeven haar ooit nog te ontmoeten.

He was destined never to meet her again.

We hebben de boeken aan deze student gegeven.

We gave the books to this student.

Ik heb één enkel boek gekocht, dat ik aan een student gegeven heb.

I bought only one book which I gave to a student.

Hij is de persoon aan wie ik mijn woordenboek heb gegeven.

He is the person to whom I gave my dictionary.

Ik ben het uurwerk verloren dat mijn vader mij gegeven had.

I lost the watch my father had given me.

Wat hebt ge gezegd dat ge haar op haar verjaardag gegeven hadt?

What did you say you gave her for her birthday?

Mijn moeder heeft me alle liefde die ik nodig had gegeven.

My mother gave me all the love I needed.