Vertaling van Boom
vaarboom {zn.}
snateren
ratelen {ww.}
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
» meer vervoegingen van bomen
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
» meer vervoegingen van bomen
boomstructuur
boomdiagram {zn.}
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
» meer vervoegingen van bomen
bomen
discuteren
disputeren
parlementeren
redekavelen
redetwisten
twisten {ww.}
ik boom
jij boomt
hij/zij/het boomt
ik discussieer
jij discussieert
hij/zij/het discussieert
» meer vervoegingen van discussiëren
Voorbeelden in zinsverband
Wie heeft de boom geplant?
Wie heeft de boom geplant?
Tom zit onder een boom.
Tom zit onder een boom.
Ze hakten de boom om.
Ze hakten de boom om.
Ik reed tegen een boom.
Ik reed tegen een boom.
Een aap beklimt een hoge boom.
Een aap beklimt een hoge boom.
Hij klom uit de boom naar beneden.
Hij klom uit de boom naar beneden.
Hij stak zijn mes in de boom.
Hij stak zijn mes in de boom.
Een beer kan in een boom klimmen.
Een beer kan in een boom klimmen.
Aan de vruchten kent men de boom.
Aan de vruchten kent men de boom.
De appel valt niet ver van de boom.
De appel valt niet ver van de boom.
Ze bonden de dief vast aan een boom.
Ze bonden de dief vast aan een boom.
Er hangen enkele appels aan de boom, niet?
Er hangen enkele appels aan de boom, niet?
De appel valt niet ver van de boom.
De appel valt niet ver van de boom.
Hij sneed een tak van de boom met zijn mes.
Hij sneed een tak van de boom met zijn mes.
Ze zaten in de schaduw van die grote boom.
Ze zaten in de schaduw van die grote boom.