Vertaling van lullen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
lullen {ww.}
lullen {ww.}

ik lul
jij lult
hij/zij/het lult

ik lul
jij lult
hij/zij/het lult
» meer vervoegingen van lullen

wauwelen, zemelen, snateren, ouwehoeren, meieren, lullen, kletsen {ww.}
wauwelen
zemelen
snateren
ouwehoeren
meieren
lullen
kletsen {ww.}

ik klets
jij kletst
hij/zij/het kletst

ik wauwel
jij wauwelt
hij/zij/het wauwelt
» meer vervoegingen van wauwelen

lul (mv. lullen), oen {zn.}
lul (mv. lullen)
oen {zn.}
Innerlijke schoonheid, ik zal erin geloven wanneer mijn lul ogen heeft.
Innerlijke schoonheid, ik zal erin geloven wanneer mijn lul ogen heeft.
lid, penis, lul (mv. lullen) [m], plasser, piemel, snikkel [m], pik [v], leuter [m], jongeheer [m] {zn.}
lid
penis
lul (mv. lullen) [m]
plasser
piemel
snikkel [m]
pik [v]
leuter [m]
jongeheer [m] {zn.}
De penis ging in de vagina.
De penis ging in de vagina.
De penis is één van de mannelijke geslachtsorganen.
De penis is één van de mannelijke geslachtsorganen.
idioot, lul (mv. lullen), kropmens {zn.}
idioot
lul (mv. lullen)
kropmens {zn.}
Idioot!
Idioot!
Idioot!
Idioot!
lul (mv. lullen), hondelul, zak, klootzak, oetlul, lummel {zn.}
lul (mv. lullen)
hondelul
zak
klootzak
oetlul
lummel {zn.}
lul (mv. lullen) {zn.}
lul (mv. lullen) {zn.}
fantaseren, zwetsen, kletsen, wauwelen, zwammen, raaskallen, razen, ohaën, ouwehoeren, lullen, o.h.-en, leuteren, ijlen, dazen, keutelen, bazelen {ww.}
fantaseren
zwetsen
kletsen
wauwelen
zwammen
raaskallen
razen
ohaën
ouwehoeren
lullen
o.h.-en
leuteren
ijlen
dazen
keutelen
bazelen {ww.}

ik bazel
jij bazelt
hij/zij/het bazelt

ik fantaseer
jij fantaseert
hij/zij/het fantaseert
» meer vervoegingen van fantaseren

potlood, lid [o] (het ~), penis [m] (de ~), fluit [m] (de ~), lul [m] (de ~), tampeloeres, tamp, sannie, plasser [m] (de ~), zwengel [m] (de ~), piemel [m] (de ~), piel [m] (de ~), leuter, joystick, geslachtsdeel [o] (het ~), jongeheer [m] (de ~), pik [m] (de ~), snikkel [m] (de ~), pisser {zn.}
potlood
lid [o] (het ~)
penis [m] (de ~)
fluit [m] (de ~)
lul [m] (de ~)
tampeloeres
tamp
sannie
plasser [m] (de ~)
zwengel [m] (de ~)
piemel [m] (de ~)
piel [m] (de ~)
leuter
joystick
geslachtsdeel [o] (het ~)
jongeheer [m] (de ~)
pik [m] (de ~)
snikkel [m] (de ~)
pisser {zn.}
Hij kan fluit spelen.
Hij kan fluit spelen.
Ik heb geen potlood.
Ik heb geen potlood.
hond [m] (de ~), zak [m] (de ~), etter [m] (de ~), lul [m] (de ~), pokkenvent, pleurislijder [m] (de ~), plurk, ellendeling [m] (de ~), fielt, serpent [m] (de/het ~), tyfuslijer, kelerelijer, klerelijer [m] (de ~), hondenlul [m] (de ~), kelerelijder, etterbak, gemenerik [m] (de ~), fluim, rasploert, kloot [m] (de ~), schoelje [m] (het ~), smiecht [m] (de ~), stinker, beroerling, zakkenwasser [m] (de ~), paardenlul, kloothommel, etterbuil, sekreet [o] (het ~), klootspiraal, paardelul, klootzak [m] (de ~), patjakker, kwal [m] (de ~), ploert [m] (de ~), lamgat, pokkenlijer, lammeling [m] (de ~), pooier, lamstraal, rotzak [m] (de ~), lamzak [m] (de ~), schoft [m] (de ~), lazersteen, smeerlap [m] (de ~), lazerstraal, teringlijder, loeder [m] (de/het ~), vuilak [m] (de ~), lulhannes, zwijn [m] (het ~), lulletje, hondelul, miesgasser, lelijkerd [m] (de ~), mispunt [m] (het ~), pokkenlijder [m] (de ~), onverlaat [m] (de ~), stinkerd [m] (de ~), naarling [m] (de ~) {zn.}
hond [m] (de ~)
zak [m] (de ~)
etter [m] (de ~)
lul [m] (de ~)
pokkenvent
pleurislijder [m] (de ~)
plurk
ellendeling [m] (de ~)
fielt
serpent [m] (de/het ~)
tyfuslijer
kelerelijer
klerelijer [m] (de ~)
hondenlul [m] (de ~)
kelerelijder
etterbak
gemenerik [m] (de ~)
fluim
rasploert
kloot [m] (de ~)
schoelje [m] (het ~)
smiecht [m] (de ~)
stinker
beroerling
zakkenwasser [m] (de ~)
paardenlul
kloothommel
etterbuil
sekreet [o] (het ~)
klootspiraal
paardelul
klootzak [m] (de ~)
patjakker
kwal [m] (de ~)
ploert [m] (de ~)
lamgat
pokkenlijer
lammeling [m] (de ~)
pooier
lamstraal
rotzak [m] (de ~)
lamzak [m] (de ~)
schoft [m] (de ~)
lazersteen
smeerlap [m] (de ~)
lazerstraal
teringlijder
loeder [m] (de/het ~)
vuilak [m] (de ~)
lulhannes
zwijn [m] (het ~)
lulletje
hondelul
miesgasser
lelijkerd [m] (de ~)
mispunt [m] (het ~)
pokkenlijder [m] (de ~)
onverlaat [m] (de ~)
stinkerd [m] (de ~)
naarling [m] (de ~) {zn.}
Goede en prijzenswaardige etter
Goede en prijzenswaardige etter
Hij heeft een hond.
Hij heeft een hond.

Gerelateerd aan lullen

wauwelen - zemelen - snateren - ouwehoeren - meieren - kletsen - lul - oen - lid - penis - plasser - piemel - snikkel - pik - leuterspreken - geslachtsorgaan - persoon - eikel