Vertaling van pinnen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
pinnen {ww.}
pinnen {ww.}

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint
» meer vervoegingen van pinnen

pinnen {zn.}
pinnen {zn.}
pinnen {ww.}
pinnen {ww.}

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint
» meer vervoegingen van pinnen

pinnen {ww.}
pinnen {ww.}

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint
» meer vervoegingen van pinnen

pinnen {ww.}
pinnen {ww.}

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint

ik pin
jij pint
hij/zij/het pint
» meer vervoegingen van pinnen

pin (mv. pinnen), tap {zn.}
pin (mv. pinnen)
tap {zn.}
pin (mv. pinnen) {zn.}
pin (mv. pinnen) {zn.}
spie [v], pin (mv. pinnen), plug, schroef [v] {zn.}
spie [v]
pin (mv. pinnen)
plug
schroef [v] {zn.}
pen [v], luns, pin (mv. pinnen), stift {zn.}
pen [v]
luns
pin (mv. pinnen)
stift {zn.}
pen [m] (de ~), pin [m] (de ~) {zn.}
pen [m] (de ~)
pin [m] (de ~) {zn.}
Heb je geen pen?
Heb je geen pen?
Ik moet mijn pen zoeken.
Ik moet mijn pen zoeken.
slang [v] (de ~), pin [m] (de ~), tang [v] (de ~) {zn.}
slang [v] (de ~)
pin [m] (de ~)
tang [v] (de ~) {zn.}
Deze slang is niet giftig.
Deze slang is niet giftig.
Het is de slang die Eva verleidt.
Het is de slang die Eva verleidt.
pin (mv. pinnen), pinpas [m] (de ~) {zn.}
pin (mv. pinnen)
pinpas [m] (de ~) {zn.}
gierigaard [m] (de ~), erwtenteller, geldduivel, geldwolf [m] (de ~), knakenpoetser, knibbelaar [m] (de ~), knijper, krent [m] (de ~), krentenweger [m] (de ~), kribbebijter, kribbenbijter, kruimelaar, pezewever, pin (mv. pinnen), potschrap(p)er, potschraper, potter, schraper [m] (de ~), vrek [m] (de ~), krentenkakker [m] (de ~) {zn.}
gierigaard [m] (de ~)
erwtenteller
geldduivel
geldwolf [m] (de ~)
knakenpoetser
knibbelaar [m] (de ~)
knijper
krent [m] (de ~)
krentenweger [m] (de ~)
kribbebijter
kribbenbijter
kruimelaar
pezewever
pin (mv. pinnen)
potschrap(p)er
potschraper
potter
schraper [m] (de ~)
vrek [m] (de ~)
krentenkakker [m] (de ~) {zn.}
wasknijper [m] (de ~), knijper [m] (de ~), pin (mv. pinnen), wasspeld [m] (de ~), pen [m] (de ~) {zn.}
wasknijper [m] (de ~)
knijper [m] (de ~)
pin (mv. pinnen)
wasspeld [m] (de ~)
pen [m] (de ~) {zn.}
pin (mv. pinnen) {zn.}
pin (mv. pinnen) {zn.}

Gerelateerd aan pinnen

pin - tap - spie - plug - schroef - pen - luns - stift - slang - tang - pinpas - gierigaard - erwtenteller - geldduivel - geldwolfperforeren - voorzien - aanwenden - staaf - vrouw - bankpas - persoon - klem - stok - hole