Vertaling van pen
stekel
prikkel
angel {zn.}
veder
veer
pluim {zn.}
luns
pin
stift {zn.}
breipen
breinaald {zn.}
wasspeld
knijper
pin
wasknijper {zn.}
pin {zn.}
pen {zn.}
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
» meer vervoegingen van pennen
Penclub {zn.}
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
» meer vervoegingen van pennen
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
» meer vervoegingen van pennen
vastpinnen {ww.}
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
ik pen
jij pent
hij/zij/het pent
» meer vervoegingen van pennen
Voorbeelden in zinsverband
Heb je geen pen?
Heb je geen pen?
Ik moet mijn pen zoeken.
Ik moet mijn pen zoeken.
Hij gaf ieder een pen.
Hij gaf ieder een pen.
Schrijf alstublieft met een pen.
Schrijf alstublieft met een pen.
Kan ik een pen lenen?
Kan ik een pen lenen?
Ik moet naar mijn pen zoeken.
Ik moet naar mijn pen zoeken.
Er ligt een pen op het bureau.
Er ligt een pen op het bureau.
Je mag mijn pen niet gebruiken.
Je mag mijn pen niet gebruiken.
Ik wil niet schrijven met deze pen.
Ik wil niet schrijven met deze pen.
Uw pen is beter dan de mijne.
Uw pen is beter dan de mijne.
Fout van de pen
Fout van de pen
De pen die ik gister verloor was nieuw.
De pen die ik gister verloor was nieuw.
Ze heeft deze pen bij die winkel gekocht.
Ze heeft deze pen bij die winkel gekocht.
Hij nam zijn pen en begon te schrijven.
Hij nam zijn pen en begon te schrijven.
Ik heb gisteren net zo'n pen gekocht als jij hebt.
Ik heb gisteren net zo'n pen gekocht als jij hebt.