Betekenis van:
bouw

bouw (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • bouwbedrijven; bouwbedrijf; economische tak; geheel van bouwmensen; branche v.d. bouwnijverheid
"[werken/een staking] in de bouw"

Synoniemen

Hyperoniemen

bouw (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het bouwen; bouw
"de bouw van het schip vordert langzaam"
"de bouw stilleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bouw
Zelfstandig naamwoord
  • het doen verrijzen van een gebouw
"De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad."
bouw
Zelfstandig naamwoord
  • het bouwbedrijf
"Hij is in de bouw gaan werken."
bouw (de ~ | meervoud bouwen)
Zelfstandig naamwoord
  • terrein om te bebouwen; bouwterrein
"de bouw betreden"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bouw
Zelfstandig naamwoord
  • lichaamsbouw; wijze waarop het lichaam gevormd is; gestalte/lichaamsbouw; vorm v.h. lichaam; buitenste v.e. figuur

Synoniemen

Hyperoniemen

bouw
Zelfstandig naamwoord
  • het kweken; teelt van gewassen; het telen; het kweken; teelt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord