Betekenis van:
kas

kas
Zelfstandig naamwoord
  • beschikbaar geld
"in kas hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kas (de ~ | meervoud kassen)
Zelfstandig naamwoord
  • gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
"groente uit de kas"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kas (de ~ | meervoud kassen)
Zelfstandig naamwoord
  • bewaarplaats voor geld
"de kas sluit"
"in kas"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kas
Zelfstandig naamwoord
  • de bak die het ontvangen geld bevat
"In onze winkel is ieder personeelslid verantwoordelijk voor zijn eigen kas."
kas
Zelfstandig naamwoord
  • ''overdrachtelijk'' de liquide middelen van een organisatie
"We hebben op het moment niet zoveel geld in kas."
kas
Zelfstandig naamwoord
  • een doorzichtige -meest glazen- constructie die het cultiveren van planten mogelijk maakt die een ander klimaat vergen dan buiten heerst
"Het Westland heet vanwege zijn vele kassen ook wel de Glazen Stad."
kas (de ~ | meervoud kassen)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats in de schedel voor het oog; holte v.h. oog; plaats in de schedel voor het oog
"de ogen puilen uit de kassen"

Synoniemen

Hyperoniemen

kas
Zelfstandig naamwoord
  • plaats waar betalingen plaatsvinden; plaats in de winkel waar men betaalt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord