Betekenis van:
maken
maken
Werkwoord
- ervoor zorgen dat iets weer werkt
"De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken."
maken
Werkwoord
- in elkaar zetten
"Hij was een houten meubel aan het maken."
maken
Werkwoord
- optellen tot een bepaald bedrag
"Dat maakt dan zes euro en tien cent."
maken
Werkwoord
- er bovenop komen; herstellen; repareren; wat stuk is repareren
"een broek/radio/vaas maken"
"iemand kunnen maken en breken"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ga Mary wakker maken.
- Spinnen maken webben.
- Ik zal u gelukkig maken.
- U kunt uw eigen maken.
- Wil je een korte wandeling maken?
- Tom moest een moeilijke keuze maken.
- Zult ge deze namiddag uw huiswerk maken?
- Ik heb er niks mee te maken.
- Je moet geen slapende honden wakker maken.
- Hij is bang fouten te maken.
- Mama is een taart aan het maken.
- Ik heb er niets mee te maken.
- Kleren maken de man
- Hij verstaat de kunst om vrienden te maken.
- Zou je boterhammen kunnen maken voor de lunch?