Vertaling van lives:

Inhoud:

Engels
Nederlands
to be alive, to live {ww.}
leven 

he/she/it lives

hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

Live and let live.
Leven en laten leven.
We live in peace.
We leven in vrede.
to dwell, to live, to reside, to stay {ww.}
wonen 
huizen
resideren
gevestigd zijn

he/she/it lives

hij/zij/het woont
» meer vervoegingen van wonen

Where do you all live?
Waar wonen jullie allemaal?
They live nearby.
Ze wonen in de buurt.
to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
voortleven

he/she/it lives

hij/zij/het leeft voort
» meer vervoegingen van voortleven

to dwell, to inhabit, to live, to populate {ww.}
bevolken

he/she/it lives

hij/zij/het bevolkt
» meer vervoegingen van bevolken

to dwell, to inhabit, to live, to populate {ww.}
bevolken
bewonen

he/she/it lives

hij/zij/het bevolkt
» meer vervoegingen van bevolken

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
leven

he/she/it lives

hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

Twenty families live here.
Twintig families leven hier.
They live in poverty.
Ze leven in armoede.
to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
I live on the bottom floor.
Ik woon gelijkvloers.
What floor do you live on?
Op welke verdieping woont ge?
to be, to live {ww.}
bestaan
existeren

he/she/it lives

hij/zij/het bestaat
» meer vervoegingen van bestaan

to exist, to live, to subsist, to survive {ww.}
bestaan
leven

he/she/it lives

hij/zij/het bestaat
» meer vervoegingen van bestaan

to be, to live {ww.}
leven

he/she/it lives

hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

to exist, to live, to subsist, to survive {ww.}
overblijven

he/she/it lives

hij/zij/het blijft over
» meer vervoegingen van overblijven



Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

He lives in Osaka.

Hij woont in Osaka.

Tom lives in Wales.

Tom woont in Wales.

He lives in Kyoto.

Hij woont in Kioto.

She lives nearby.

Ze woont vlakbij.

She lives in Kyoto.

Ze woont in Kyoto.

Carol lives in Chicago.

Carol woont in Chicago.

He lives above me.

Hij woont boven mij.

Tom lives in Gangnam.

Tom woont in Gangnam.

A cat has nine lives.

Een kat heeft negen levens.

John lives in New York.

John woont in New York.

He lives in a village.

Hij woont in een dorp.

He lives in this neighborhood.

Hij woont in deze wijk.

My brother lives in Tokyo.

Mijn broer woont in Tokio.

The old man lives alone.

De oude man leeft alleen.

He lives in a flat.

Hij woont in een woning.


Gerelateerd aan lives:

be alive - live - dwell - reside - stay - endure - go - hold out - hold up - last - live on - survive - inhabit - populate - bebear on - be - cater - apply - exist - keep - remain