Vertaling van one

Inhoud:

Engels
Nederlands
one {telw.}
een 
één
one, they, you, people, we {onb. vnw.}
men
we
je
ze
a, any, anybody, one, some, somebody, someone, an, anyone, a certain {onb. vnw.}
een of ander
iemand 
een 
een zeker
some kind of, one, any {bn.}
een of ander
een of andere
enigerlei

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

One for all, all for one.

Eén voor allen, allen voor één.

You're the tallest one.

Jij bent de grootste.

It's one o'clock.

Het is een uur.

She is thirty-one.

Ze is eenendertig jaar.

Which one is you?

Welke ben jij?

You're a nice one!

Jij bent ook een mooie!

I purchased one bag.

Ik heb één zak gekocht.

Please take another one.

Neem er alsjeblieft nog een.

I want this one.

Ik wil deze.

It's the big one.

Het is de grote.

No one knew it.

Niemand wist dat.

I have one sister.

Ik heb één zus.

No one came.

Er is niemand gekomen.

Let's get one.

Laten we er één nemen.

He had one daughter.

Hij had één dochter.


Gerelateerd aan one

they - you - people - we - a - any - anybody - some - somebody - someone - an - anyone - a certain - some kind of