Vertaling van tally

Inhoud:

Engels
Nederlands
to calculate, to count, to figure, to work out, to account, to number, to reckon, to tally, to add up {ww.}
calculeren 
rekenen 
berekenen 
tellen 
uitrekenen

I tally
you tally
we tally

ik calculeer
jij calculeert
wij calculeren
» meer vervoegingen van calculeren

bill, calculation, account, reckoning, tally, check, calculus {zn.}
rekening  [v]
berekening  [v]
nota [v]
calculatie 
to add, to add together, to add up, to sum, to sum up, to summate, to tally, to tot, to tot up, to total, to tote up {ww.}
turven

I tally
you tally
we tally

ik turf
jij turft
wij turven
» meer vervoegingen van turven

to agree, to check, to correspond, to fit, to gibe, to jibe, to match, to tally {ww.}
accorderen
concorderen
sporen
stroken
sluiten
corresponderen
overeenstemmen
rijmen
overeenkomen
congrueren

I tally
you tally
we tally

ik accordeer
jij accordeert
wij accorderen
» meer vervoegingen van accorderen

to hit, to rack up, to score, to tally {ww.}
doelpunten

I tally
you tally
we tally

ik doelpunt
jij doelpunt
wij doelpunten
» meer vervoegingen van doelpunten

to hit, to rack up, to score, to tally {ww.}
scoren
inschieten
scoren

I tally
you tally
we tally

ik scoor
jij scoort
wij scoren
» meer vervoegingen van scoren

count, counting, enumeration, numeration, reckoning, tally {zn.}
telwerk
run, tally {zn.}
looppas [m] (de ~)
run, tally {zn.}
loipe
run, tally {zn.}
piste [m] (de ~)
skipiste [m] (de ~)
count, counting, enumeration, numeration, reckoning, tally {zn.}
opsomming
count, counting, enumeration, numeration, reckoning, tally {zn.}
enumeratie
count, counting, enumeration, numeration, reckoning, tally {zn.}
rekenmethode [v] (de ~)
run, tally {zn.}
run
count, counting, enumeration, numeration, reckoning, tally {zn.}
tel [m] (de ~)
telling [v] (de ~)
Wait till I count ten.
Wacht tot ik tot tien tel.
I will count to three, and then I will fire!
Ik tel tot drie, en dan vuur ik!

Gerelateerd aan tally

calculate - count - figure - work out - account - number - reckon - add up - bill - calculation - reckoning - check - calculus - add - add togethercount - be - hit - derive - work - gait - trail - course - act - rhetorical device - pedagogics - walk - conclusion