Vertaling van ben

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
ben [v], mand [v], korf [m], slof [m] {zn.}
ben [v]
mand [v]
korf [m]
slof [m] {zn.}
Leg alles in mijn korf.
Leg alles in mijn korf.
Er waren veel rotte appels in de mand.
Er waren veel rotte appels in de mand.
ben {zn.}
ben {zn.}
Ik ben het.
Ik ben het.
Ben je een tovenaar?
Ben je een tovenaar?
wezen, zijn {ww.}
wezen
zijn {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

zijn {ww.}
zijn {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Zijn schoenen zijn bruin.
Zijn schoenen zijn bruin.
Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.
Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.
zijn, wezen {ww.}
zijn
wezen {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Ik ben vandaag bloed wezen geven.
Ik ben vandaag bloed wezen geven.
De oorlog is in wezen voorbij.
De oorlog is in wezen voorbij.
zijn, uitmaken, vormen {ww.}
zijn
uitmaken
vormen {ww.}

ik maak uit
jij maakt uit
hij/zij/het maakt uit

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Democratie is de slechtste regeringsvorm, met uitzondering van alle andere vormen die zijn uitgeprobeerd.
Democratie is de slechtste regeringsvorm, met uitzondering van alle andere vormen die zijn uitgeprobeerd.
Tom wil het niet uitmaken met Mary.
Tom wil het niet uitmaken met Mary.
zijn, ophouden, bezighouden, occuperen {ww.}
zijn
ophouden
bezighouden
occuperen {ww.}

ik houd bezig
jij houdt bezig
hij/zij/het houdt bezig

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Het regende zonder ophouden.
Het regende zonder ophouden.
Laat ons ophouden.
Laat ons ophouden.
zijn {ww.}
zijn {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Programmeertalen zijn zijn hobby.
Programmeertalen zijn zijn hobby.
Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
zijn {ww.}
zijn {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

Zijn kinderen zijn groot geworden.
Zijn kinderen zijn groot geworden.
zijn {ww.}
zijn {ww.}

ik ben
jij bent
hij/zij/het is

ik ben
jij bent
hij/zij/het is
» meer vervoegingen van zijn

pozen, toeven, vertoeven, verwijlen, zijn, zitten, bevinden, wezen, ophouden, verkeren, uithangen {ww.}
pozen
toeven
vertoeven
verwijlen
zijn
zitten
bevinden
wezen
ophouden
verkeren
uithangen {ww.}

ik bevind
jij bevindt
hij/zij/het bevindt

ik poos
jij poost
hij/zij/het poost
» meer vervoegingen van pozen

zijn, bedragen, komen, kosten, maken, worden, belopen {ww.}
zijn
bedragen
komen
kosten
maken
worden
belopen {ww.}

hij/zij/het bedraagt
zij bedragen
ik beloop

hij/zij/het is
zij zijn
ik ben
» meer vervoegingen van zijn



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik ben het.

Ik ben het.

Ben je een tovenaar?

Ben je een tovenaar?

Ben je thuis?

Ben je thuis?

Ik ben erg kort.

Ik ben erg kort.

Ben je doof?

Ben je doof?

Ik ben oude.

Ik ben oude.

Ben je klaar?

Ben je klaar?

Ik ben 19 jaar.

Ik ben 19 jaar.

Ik ben verkouden.

Ik ben verkouden.

Ik ben van Shikoku.

Ik ben van Shikoku.

Pardon, ik ben verdwaald.

Pardon, ik ben verdwaald.

Ik ben een held.

Ik ben een held.

Ik ben Antonio.

Ik ben Antonio.

Ik ben erg gevaarlijk.

Ik ben erg gevaarlijk.

Ik ben Susan Greene.

Ik ben Susan Greene.


Gerelateerd aan ben

mand - korf - slof - wezen - zijn - uitmaken - vormen - ophouden - bezighouden - occuperen - pozen - toeven - vertoeven - verwijlen - zittenmand - passeren - zijn - handelen - zitten - behelzen