Vertaling van jat

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
hand [m] (de ~), poten, fik [m] (de ~), poot [m] (de ~), tengel, vlerken, knijper, kluif, klavieren, klavier, klauwen, klauw [m] (de ~), tengels [m] (de ~), jat, fikken [m] (de ~) {zn.}
hand [m] (de ~)
poten
fik [m] (de ~)
poot [m] (de ~)
tengel
vlerken
knijper
kluif
klavieren
klavier
klauwen
klauw [m] (de ~)
tengels [m] (de ~)
jat
fikken [m] (de ~) {zn.}
Hij stak zijn eigen huis in de fik.
Hij stak zijn eigen huis in de fik.
Een tafel heeft vier poten.
Een tafel heeft vier poten.
stelen, pikken, dieven, kapen, weggappen, snuffelen, snaaien, rausjen, ratsen, ontvreemden, klauwen, kaaien, jatten, jatmouzen, gappen {ww.}
stelen
pikken
dieven
kapen
weggappen
snuffelen
snaaien
rausjen
ratsen
ontvreemden
klauwen
kaaien
jatten
jatmouzen
gappen {ww.}

ik dief
jij dieft
hij/zij/het dieft

ik steel
jij steelt
hij/zij/het steelt
» meer vervoegingen van stelen

Pas op voor dieven in deze omgeving.
Pas op voor dieven in deze omgeving.
Kunt ge mij het stelen aanleren?
Kunt ge mij het stelen aanleren?


Gerelateerd aan jat

hand - poten - fik - poot - tengel - vlerken - knijper - kluif - klavieren - klavier - klauwen - klauw - tengels - fikken - stelenlichaamsdeel - inpikken - middenhand - handwortel