Vertaling van kluif

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
kluif {zn.}
kluif {zn.}
kluif, kluifje {zn.}
kluif
kluifje {zn.}
kluif {zn.}
kluif {zn.}
kluif [m] (de ~) {zn.}
kluif [m] (de ~) {zn.}
kluiven {ww.}
kluiven {ww.}

ik kluif
jij kluift
hij/zij/het kluift

ik kluif
jij kluift
hij/zij/het kluift
» meer vervoegingen van kluiven

hand [m] (de ~), poten, fik [m] (de ~), poot [m] (de ~), tengel, vlerken, knijper, kluif, klavieren, klavier, klauwen, klauw [m] (de ~), tengels [m] (de ~), jat, fikken [m] (de ~) {zn.}
hand [m] (de ~)
poten
fik [m] (de ~)
poot [m] (de ~)
tengel
vlerken
knijper
kluif
klavieren
klavier
klauwen
klauw [m] (de ~)
tengels [m] (de ~)
jat
fikken [m] (de ~) {zn.}
Hij stak zijn eigen huis in de fik.
Hij stak zijn eigen huis in de fik.
Een tafel heeft vier poten.
Een tafel heeft vier poten.
afkluiven, kluiven {ww.}
afkluiven
kluiven {ww.}

ik kluif af
jij kluift af
hij/zij/het kluift af

ik kluif af
jij kluift af
hij/zij/het kluift af
» meer vervoegingen van afkluiven



Gerelateerd aan kluif

kluifje - kluiven - hand - poten - fik - poot - tengel - vlerken - knijper - klavieren - klavier - klauwen - klauw - tengels - jatwerk - karwei - bot - lichaamsdeel - bijten - middenhand - handwortel