Vertaling van laat

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
laat, vergevorderd {bn.}
laat
vergevorderd {bn.}
laat {bw.}
laat {bw.}
laat {bn.}
laat {bn.}
laat, halfvrije, horige [m] (de ~) {zn.}
laat
halfvrije
horige [m] (de ~) {zn.}
Laat zien.
Laat zien.
Te laat.
Te laat.
doen, laten, maken, laten doen {ww.}
doen
laten
maken
laten doen {ww.}

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet
» meer vervoegingen van doen

Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.
Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.
Laten we dat doen.
Laten we dat doen.
laten, nalaten {ww.}
laten
nalaten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten {ww.}
laten
laten begaan
laten schieten
loslaten
toelaten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

laten {ww.}
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

laten {ww.}
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

achterlaten, laten, nalaten {ww.}
achterlaten
laten
nalaten {ww.}

ik laat achter
jij laat achter
hij/zij/het laat achter

ik laat achter
jij laat achter
hij/zij/het laat achter
» meer vervoegingen van achterlaten

laten {ww.}
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

Laten we haar alleen laten.
Laten we haar alleen laten.
Laten we het daarbij laten voor nu.
Laten we het daarbij laten voor nu.
laten {ww.}
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

Laten we koffiepauze houden.
Laten we koffiepauze houden.
Leven en laten leven.
Leven en laten leven.
laten {ww.}
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

Laten we Tom vragen.
Laten we Tom vragen.
laten, nalaten {ww.}
laten
nalaten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

laten, scheiden, achterlaten {ww.}
laten
scheiden
achterlaten {ww.}

ik laat achter
jij laat achter
hij/zij/het laat achter

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

Wilt u een boodschap achterlaten?
Wilt u een boodschap achterlaten?
Als we hem achterlaten zal hij doodbloeden.
Als we hem achterlaten zal hij doodbloeden.
laten, tolereren, toelaten, dulden {ww.}
laten
tolereren
toelaten
dulden {ww.}

ik duld
jij duldt
hij/zij/het duldt

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat
» meer vervoegingen van laten

Ik kan dit geluid niet langer tolereren.
Ik kan dit geluid niet langer tolereren.
overlaten, overgeven, laten {ww.}
overlaten
overgeven
laten {ww.}

ik laat
jij laat
hij/zij/het laat

ik laat over
jij laat over
hij/zij/het laat over
» meer vervoegingen van overlaten



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Laat zien.

Laat zien.

Te laat.

Te laat.

Laat vallen.

Laat vallen.

Laat ons binnengaan.

Laat ons binnengaan.

Laat ons iets proberen.

Laat ons iets proberen.

Beter laat dan nooit.

Beter laat dan nooit.

Laat het spel beginnen!

Laat het spel beginnen!

Laat mijn arm los!

Laat mijn arm los!

Laat ons praten.

Laat ons praten.

Laat me met rust.

Laat me met rust.

Laat ons eerlijk zijn.

Laat ons eerlijk zijn.

Het is laat.

Het is laat.

Hoe laat is het?

Hoe laat is het?

Laat me los!

Laat me los!

Laat ons werken.

Laat ons werken.