Vertaling van mat

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
mat, mat- {bn.}
mat
mat- {bn.}
mat {zn.}
mat {zn.}
mat, moe, vermoeid {bn.}
mat
moe
vermoeid {bn.}
mat {bn.}
mat {bn.}
mat {bn.}
mat {bn.}
schaakmat, mat {zn.}
schaakmat
mat {zn.}
opnemen, uitmeten, roeien, opmeten, afmeten, meten {ww.}
opnemen
uitmeten
roeien
opmeten
afmeten
meten {ww.}

ik mat af
jij mat af
hij/zij/het mat af

ik nam op
jij nam op
hij/zij/het nam op
» meer vervoegingen van opnemen

"De telefoon gaat over." "Ik zal hem wel opnemen."
"De telefoon gaat over." "Ik zal hem wel opnemen."
Hoe kan ik contact opnemen met een Japans sprekende dokter?
Hoe kan ik contact opnemen met een Japans sprekende dokter?
meten {ww.}
meten {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van meten

berekenen, meten {ww.}
berekenen
meten {ww.}

ik berekende
jij berekende
hij/zij/het berekende

ik berekende
jij berekende
hij/zij/het berekende
» meer vervoegingen van berekenen

matten, matteren {ww.}
matten
matteren {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van matten

vechten, kampen, matten, knokken, strijden {ww.}
vechten
kampen
matten
knokken
strijden {ww.}

ik kamp
jij kampt
hij/zij/het kampt

ik vecht
jij vecht
hij/zij/het vecht
» meer vervoegingen van vechten

Ze vechten voor vrijheid.
Ze vechten voor vrijheid.
Ik kan je leren vechten.
Ik kan je leren vechten.
matten {ww.}
matten {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van matten

opnemen, uitmeten, meten, opmeten {ww.}
opnemen
uitmeten
meten
opmeten {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik nam op
jij nam op
hij/zij/het nam op
» meer vervoegingen van opnemen

vechten, wedijveren, meten, rivaliseren {ww.}
vechten
wedijveren
meten
rivaliseren {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik vocht
jij vocht
hij/zij/het vocht
» meer vervoegingen van vechten

Ik zal tot de dood vechten.
Ik zal tot de dood vechten.
Ik wil niet met Theodore Roosevelt vechten.
Ik wil niet met Theodore Roosevelt vechten.
meten {ww.}
meten {ww.}

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat

ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van meten



Gerelateerd aan mat

mat- - moe - vermoeid - schaakmat - opnemen - uitmeten - roeien - opmeten - afmeten - meten - berekenen - matten - matteren - vechten - kampenbewerken - handelen - voorzien - vaststellen - kampen - zijn