Vertaling van mat
mat- {bn.}
moe
vermoeid {bn.}
mat {zn.}
uitmeten
roeien
opmeten
afmeten
meten {ww.}
ik mat af
jij mat af
hij/zij/het mat af
ik nam op
jij nam op
hij/zij/het nam op
» meer vervoegingen van opnemen
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van meten
meten {ww.}
ik berekende
jij berekende
hij/zij/het berekende
ik berekende
jij berekende
hij/zij/het berekende
» meer vervoegingen van berekenen
matteren {ww.}
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van matten
kampen
matten
knokken
strijden {ww.}
ik kamp
jij kampt
hij/zij/het kampt
ik vecht
jij vecht
hij/zij/het vecht
» meer vervoegingen van vechten
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van matten
uitmeten
meten
opmeten {ww.}
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik nam op
jij nam op
hij/zij/het nam op
» meer vervoegingen van opnemen
wedijveren
meten
rivaliseren {ww.}
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik vocht
jij vocht
hij/zij/het vocht
» meer vervoegingen van vechten
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
ik mat
jij mat
hij/zij/het mat
» meer vervoegingen van meten