Vertaling van plakken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
wijlen, verwijlen, vertoeven, verblijf houden, resideren, plakken {ww.}
wijlen
verwijlen
vertoeven
verblijf houden
resideren
plakken {ww.}

ik plak
jij plakt
hij/zij/het plakt

ik wijl
jij wijlt
hij/zij/het wijlt
» meer vervoegingen van wijlen

Wijlen haar echtgenoot was violist.
Wijlen haar echtgenoot was violist.
plakken {ww.}
plakken {ww.}

ik plak
jij plakt
hij/zij/het plakt

ik plak
jij plakt
hij/zij/het plakt
» meer vervoegingen van plakken

pakken, elkaar aantrekken, kleven, plakken {ww.}
pakken
elkaar aantrekken
kleven
plakken {ww.}

ik kleef
jij kleeft
hij/zij/het kleeft

ik pak
jij pakt
hij/zij/het pakt
» meer vervoegingen van pakken

Zwaartekracht is een natuurkracht, waardoor dingen elkaar aantrekken.
Zwaartekracht is een natuurkracht, waardoor dingen elkaar aantrekken.
Er kleven voor- en nadelen aan allebei je meningen, ik ga dus niet meteen besluiten welke te ondersteunen.
Er kleven voor- en nadelen aan allebei je meningen, ik ga dus niet meteen besluiten welke te ondersteunen.
kleven, plakken {ww.}
kleven
plakken {ww.}

ik kleef
jij kleeft
hij/zij/het kleeft

ik kleef
jij kleeft
hij/zij/het kleeft
» meer vervoegingen van kleven

hechten, plakken, lijmen {ww.}
hechten
plakken
lijmen {ww.}

ik hecht
jij hecht
hij/zij/het hecht

ik hecht
jij hecht
hij/zij/het hecht
» meer vervoegingen van hechten

plakken, bumperen {ww.}
plakken
bumperen {ww.}

ik plak
jij plakt
hij/zij/het plakt

ik plak
jij plakt
hij/zij/het plakt
» meer vervoegingen van plakken

blijven, plakken {ww.}
blijven
plakken {ww.}

ik blijf
jij blijft
hij/zij/het blijft

ik blijf
jij blijft
hij/zij/het blijft
» meer vervoegingen van blijven

Zult ge thuis blijven?
Zult ge thuis blijven?
Ik zal daar blijven.
Ik zal daar blijven.
vastkitten, vastkleven, kleven, plakken {ww.}
vastkitten
vastkleven
kleven
plakken {ww.}

ik kleef
jij kleeft
hij/zij/het kleeft

ik kit vast
jij kit vast
hij/zij/het kit vast
» meer vervoegingen van vastkitten

medaille, plak [m] (de ~), eremetaal [o] (het ~) {zn.}
medaille
plak [m] (de ~)
eremetaal [o] (het ~) {zn.}
Jij verdient een medaille.
Jij verdient een medaille.
Ik won de gouden medaille.
Ik won de gouden medaille.
plak [m] (de ~) {zn.}
plak [m] (de ~) {zn.}