Vertaling van roep

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
roep, schreeuw, kreet {zn.}
roep
schreeuw
kreet {zn.}
Schreeuw niet tegen me.
Schreeuw niet tegen me.
Roep de dokter!
Roep de dokter!
roep {zn.}
roep {zn.}
Roep me om zes uur morgenochtend.
Roep me om zes uur morgenochtend.
roep [m] (de ~), schreeuw [m] (de ~) {zn.}
roep [m] (de ~)
schreeuw [m] (de ~) {zn.}
reputatie [v], roep, roem, mare, befaamdheid [v], faam [v] {zn.}
reputatie [v]
roep
roem
mare
befaamdheid [v]
faam [v] {zn.}
Tom heeft een slechte reputatie.
Tom heeft een slechte reputatie.
Hij heeft een goede reputatie.
Hij heeft een goede reputatie.
naam, reputatie [v], roep, faam [v] {zn.}
naam
reputatie [v]
roep
faam [v] {zn.}
Veel wetenschappers hebben de reputatie excentriek te zijn.
Veel wetenschappers hebben de reputatie excentriek te zijn.
roep [m] (de ~) {zn.}
roep [m] (de ~) {zn.}
gieren, joelen, roepen, schreeuwen {ww.}
gieren
joelen
roepen
schreeuwen {ww.}

ik gier
jij giert
hij/zij/het giert

ik gier
jij giert
hij/zij/het giert
» meer vervoegingen van gieren

roepen {ww.}
roepen {ww.}

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept
» meer vervoegingen van roepen

huilen, roepen {ww.}
huilen
roepen {ww.}

ik huil
jij huilt
hij/zij/het huilt

ik huil
jij huilt
hij/zij/het huilt
» meer vervoegingen van huilen

naam [m] (de ~), reputatie [v] (de ~), roep [m] (de ~), beroemdheid [v] (de ~), vermaardheid, renommee, faam [m] (de ~), bekendheid [v] (de ~) {zn.}
naam [m] (de ~)
reputatie [v] (de ~)
roep [m] (de ~)
beroemdheid [v] (de ~)
vermaardheid
renommee
faam [m] (de ~)
bekendheid [v] (de ~) {zn.}
schreeuwen, roepen {ww.}
schreeuwen
roepen {ww.}

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept

ik schreeuw
jij schreeuwt
hij/zij/het schreeuwt
» meer vervoegingen van schreeuwen

Ik hoorde een vrouw schreeuwen.
Ik hoorde een vrouw schreeuwen.
Blijkbaar begon haar moeder te schreeuwen.
Blijkbaar begon haar moeder te schreeuwen.
roepen {ww.}
roepen {ww.}

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept
» meer vervoegingen van roepen

roepen {ww.}
roepen {ww.}

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept
» meer vervoegingen van roepen

schreeuwen, roepen {ww.}
schreeuwen
roepen {ww.}

ik roep
jij roept
hij/zij/het roept

ik schreeuw
jij schreeuwt
hij/zij/het schreeuwt
» meer vervoegingen van schreeuwen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Roep de dokter!

Roep de dokter!

Roep me om zes uur morgenochtend.

Roep me om zes uur morgenochtend.


Gerelateerd aan roep

schreeuw - kreet - reputatie - roem - mare - befaamdheid - faam - naam - gieren - joelen - roepen - schreeuwen - huilen - beroemdheid - vermaardheidgeluidje - eis - positie - vragen - schreeuwen - verzoeken - uiten