Vertaling van look
I look
you look
we look
ik kijk
jij kijkt
wij kijken
» meer vervoegingen van kijken
er uitzien als
er uitzien
vóórkomen
voorkomen
toeschijnen
schijnen
overkomen
I look
you look
we look
ik lijk
jij lijkt
wij lijken
» meer vervoegingen van lijken
loeken
kijken
I look
you look
we look
ik blik
jij blikt
wij blikken
» meer vervoegingen van blikken
I look
you look
we look
ik zorg
jij zorgt
wij zorgen
» meer vervoegingen van zorgen
I look
you look
we look
ik wacht in
jij wacht in
wij wachten in
» meer vervoegingen van inwachten
zien
kijken
tonen
ogen
I look
you look
we look
ik zie eruit
jij ziet eruit
wij zien eruit
» meer vervoegingen van eruitzien
I look
you look
we look
ik antichambreer
jij antichambreert
wij antichambreren
» meer vervoegingen van antichambreren
I look
you look
we look
ik spiegel af
jij spiegelt af
wij spiegelen af
» meer vervoegingen van afspiegelen
wachten
I look
you look
we look
ik verwacht
jij verwacht
wij verwachten
» meer vervoegingen van verwachten
I look
you look
we look
ik vlas
jij vlast
wij vlassen
» meer vervoegingen van vlassen
ogen
I look
you look
we look
ik sta
jij staat
wij staan
» meer vervoegingen van staan
verbeiden
I look
you look
we look
ik wacht op
jij wacht op
wij wachten op
» meer vervoegingen van opwachten
Voorbeelden in zinsverband
Don't look back.
Kijk niet terug.
You look bored.
Ge ziet er verveeld uit.
Look at that smoke.
Moet je die rook zien.
You look pale.
Je ziet er bleek uit.
Look at him.
Kijk naar hem.
He had a hungry look.
Hij had een hongerige blik.
Look at that big dog.
Kijk naar die grote hond.
Take a look at this.
Kijk eens naar dit.
The twins look exactly alike.
De tweeling ziet er precies hetzelfde uit.
These two leaves look alike.
Deze twee bladeren lijken op elkaar.
All those flowers look alike.
Deze bloemen lijken allemaal op elkaar.
You look just like him.
Je lijkt net op hem.
Look at the sleeping baby.
Bekijk de slapende baby.
You look terrible. What happened?
Wat zie je er vreselijk uit, wat is er gebeurd?
I look forward to the summer vacation.
Ik kijk uit naar de zomervakantie.