Betekenis van:
sick

to sick
Werkwoord
  • uitspuwen; inwerpen
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • uitbraken
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • uitspuwen
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • kotsen; braken; overgeven; uitbraken; spugen; overgeven
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • haten
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • omhooggooien
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • omhoogslaan
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • casten
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • terugstromen, terugvloeien
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • uitbraken
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • balen
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

to sick
Werkwoord
  • leegstromen
  • eject the contents of the stomach through the mouth

Synoniemen

Hyperoniemen

sick
Bijvoeglijk naamwoord
  • kinds
  • affected with madness or insanity

Synoniemen

Hyperoniemen

sick
Bijvoeglijk naamwoord
  • zodanig gestoord in zijn geestelijke vermogens, dat men niet in staat is zichzelf te leiden of de rechten van anderen te eerbiedigen
  • affected with madness or insanity

Synoniemen

Hyperoniemen

sick
Bijvoeglijk naamwoord
  • luguber
  • shockingly repellent; inspiring horror

Synoniemen

Hyperoniemen

sick
Bijvoeglijk naamwoord
    • deeply affected by a strong feeling
    "sat completely still, sick with envy"
    "she was sick with longing"
    sick
    Bijvoeglijk naamwoord
      • having a strong distaste from surfeit
      "sick of it all"
      "sick to death of flattery"

      Synoniemen

      sick
      Bijvoeglijk naamwoord
        • feeling nausea; feeling about to vomit

        Synoniemen

        sick
        Bijvoeglijk naamwoord
          • (of light) lacking in intensity or brightness; dim or feeble

          Synoniemen

          sick
          Zelfstandig naamwoord
            • people who are sick
            "they devote their lives to caring for the sick"

            Hyperoniemen