Betekenis van:
trim

trim
Zelfstandig naamwoord
  • reeks afhangende draden
  • a decoration or adornment on a garment
"the trimming on a hat"
"the trim on a shirt"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

trim
Zelfstandig naamwoord
    • a state of arrangement or appearance
    "in good trim"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    trim
    Zelfstandig naamwoord
    • oplegsel
    • a decoration or adornment on a garment
    "the trimming on a hat"
    "the trim on a shirt"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    trim
    Zelfstandig naamwoord
      • attitude of an aircraft in flight when allowed to take its own orientation

      Hyperoniemen

      trim
      Zelfstandig naamwoord
      • sierlijst
      • cutting down to the desired size or shape

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      trim
      Zelfstandig naamwoord
      • belading, stuwage
      • cutting down to the desired size or shape

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      trim
      Zelfstandig naamwoord
      • sierlijst
      • cutting down to the desired size or shape

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      trim
      Zelfstandig naamwoord
      • sierlijst
      • cutting down to the desired size or shape

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to trim
      Werkwoord
      • takken korter maken
      • cultivate, tend, and cut back the growth of

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to trim
      Werkwoord
      • korter maken; korter maken; minder lang worden; korter maken
      • cut down on; make a reduction in

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to trim
      Werkwoord
      • (een kledingstuk, sieraad of gerecht) versieren, opmaken
      • decorate (food), as with parsley or other ornamental foods

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      to trim
      Werkwoord
      • besparen; bezuinigen op; bezuinigen
      • cut down on; make a reduction in

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to trim
      Werkwoord
      • de top van iets afhalen; koppen
      • cultivate, tend, and cut back the growth of

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to trim
      Werkwoord
        • balance in flight by regulating the control surfaces
        "trim an airplane"

        Hyperoniemen

        to trim
        Werkwoord
          • be in equilibrium during a flight
          "The airplane trimmed"

          Hyperoniemen

          to trim
          Werkwoord
            • decorate, as with ornaments
            "trim the christmas tree"
            "trim a shop window"

            Hyperoniemen

            to trim
            Werkwoord
              • remove the edges from and cut down to the desired size
              "trim the photograph"
              "trim lumber"

              Synoniemen

              Hyperoniemen

              Hyponiemen

              to trim
              Werkwoord
                • cut closely
                "trim my beard"

                Synoniemen

                Hyperoniemen

                Hyponiemen

                to trim
                Werkwoord
                  • adjust (sails on a ship) so that the wind is optimally used

                  Hyperoniemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • bijsnoeien
                  • cultivate, tend, and cut back the growth of

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • kandelaberen, kandelaren
                  • cultivate, tend, and cut back the growth of

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • bijsnijden
                  • cultivate, tend, and cut back the growth of

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • reduceren, terugbrengen, verkleinen, verminderen, minderen
                  • cut down on; make a reduction in

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • afsnoeien
                  • cultivate, tend, and cut back the growth of

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  to trim
                  Werkwoord
                  • scheren
                  • cultivate, tend, and cut back the growth of

                  Synoniemen

                  Hyperoniemen

                  Hyponiemen

                  trim
                  Bijvoeglijk naamwoord
                    • thin and fit
                    "a body kept trim by exercise"

                    Synoniemen

                    trim
                    Bijvoeglijk naamwoord
                      • neat and smart in appearance
                      "a trim beard"

                      Synoniemen

                      trim
                      Bijvoeglijk naamwoord
                        • of places; characterized by order and neatness; free from disorder
                        "a trim little sailboat"

                        Synoniemen

                        trim
                        Bijvoeglijk naamwoord
                          • severely simple in line or design

                          Synoniemen