Betekenis van:
springen

springen
Werkwoord
  • zich door een afzet met de voeten of poten met kracht in de lucht verheffen
"over een hek springen"
"op de tafel springen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

springen
Werkwoord
  • opeens veranderen
"op groen springen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

springen
Werkwoord
  • paren (mannelijke dieren)
"de bok springt op de vrouwtjes"

Hyperoniemen

Hyponiemen

springen
Werkwoord
  • na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
"Hij sprong over de greppel."
springen
Werkwoord
  • traanvocht veroorzaken
"De tranen sprongen hem in de ogen."
springen
Werkwoord
  • plotseling breken of uit elkaar barsten
"Door aanraking met de vlam sprong het glas in duizend stukken."

Werkwoord