Vertaling van piece

Inhoud:

Engels
Nederlands
brick, piece, cake, ingot, pig, briquette {zn.}
stuk  [o]
steen  [o]
bouwsteen [m]
baksteen  [o]
tichel [m]
klinker  [m]
Would you like another piece of cake?
Wil je nog een stuk cake?
May I have another piece of cake?
Mag ik nog een stuk taart hebben?
bit, lump, piece {zn.}
stukje [o]
brok [o]
bonk  [m]
eindje [o]
homp
Please fetch me a piece of paper.
Breng mij een stukje papier a.u.b.
Can I offer you another piece of cake?
Mag ik u nog een stukje gebak aanbieden?
part, piece, share, component, portion {zn.}
deel
stuk 
gedeelte
onderdeel
part
Give me a piece of paper.
Geef mij een stuk papier.
He took out a piece of chalk.
Hij nam een stuk krijt.
fragment, lump, piece, snatch {zn.}
stuk 
brok [o]
fragment [o]
Please give me a piece of bread.
Kun je me alsjeblieft een stuk brood geven?
to nibble, to pick, to piece {ww.}
knabbelen

I piece
you piece
we piece

ik knabbel
jij knabbelt
wij knabbelen
» meer vervoegingen van knabbelen

to nibble, to pick, to piece {ww.}
oppeuzelen
opsmikkelen
opsmullen

I piece
you piece
we piece

ik peuzel op
jij peuzelt op
wij peuzelen op
» meer vervoegingen van oppeuzelen

to assemble, to piece, to put together, to set up, to tack, to tack together {ww.}
bijeenleggen

I piece
you piece
we piece

ik leg bijeen
jij legt bijeen
wij leggen bijeen
» meer vervoegingen van bijeenleggen

to nibble, to pick, to piece {ww.}
peuzelen

I piece
you piece
we piece

ik peuzel
jij peuzelt
wij peuzelen
» meer vervoegingen van peuzelen

to assemble, to piece, to put together, to set up, to tack, to tack together {ww.}
opbouwen
samenstellen
construeren
componeren

I piece
you piece
we piece

ik bouw op
jij bouwt op
wij bouwen op
» meer vervoegingen van opbouwen

to assemble, to piece, to put together, to set up, to tack, to tack together {ww.}
monteren

I piece
you piece
we piece

ik monteer
jij monteert
wij monteren
» meer vervoegingen van monteren

to nibble, to pick, to piece {ww.}
snoepen

I piece
you piece
we piece

ik snoep
jij snoept
wij snoepen
» meer vervoegingen van snoepen

to assemble, to piece, to put together, to set up, to tack, to tack together {ww.}
assembleren

I piece
you piece
we piece

ik assembleer
jij assembleert
wij assembleren
» meer vervoegingen van assembleren


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Give me a piece of paper.

Geef mij een stuk papier.

Please give me a piece of bread.

Kun je me alsjeblieft een stuk brood geven?

Would you like another piece of cake?

Wil je nog een stuk cake?

I want a piece of candy.

Ik wil een snoepje.

May I have another piece of cake?

Mag ik nog een stuk taart hebben?

He took out a piece of chalk.

Hij nam een stuk krijt.

Please fetch me a piece of paper.

Breng mij een stukje papier a.u.b.

Can I offer you another piece of cake?

Mag ik u nog een stukje gebak aanbieden?

The dog had a piece of meat in its mouth.

De hond had een stuk vlees in zijn bek.

I'll give you a good piece of advice.

Ik zal je een goed advies geven.

I'll give you a piece of good advice.

Ik zal je een goed advies geven.

Would you slice me a piece of ham, please?

Wil je een plakje ham voor me snijden?

The girl made a doll out of a piece of cloth.

Het meisje maakte een pop van een stukje stof.

Put a piece of cake aside for me. I have to go.

Hou een stukje gebak voor me apart, ik moet weg.

I need an envelope, a piece of paper, and pencil or a pen.

Ik heb een envelop, papier en een potlood of pen nodig.


Gerelateerd aan piece

brick - cake - ingot - pig - briquette - bit - lump - part - share - component - portion - fragment - snatch - nibble - pickbite - eat up - lay - accumulate - put away - assemble - eat - convert