Vertaling van prize

Inhoud:

Engels
Nederlands
to esteem, to think well of, to prize, to value, to think highly of, to appreciate {ww.}
achting toedragen
achten 
achting hebben voor
hoogachten

I prize
you prize
we prize

ik acht
jij acht
wij achten
» meer vervoegingen van achten

to appreciate, to like, to enjoy, to fancy, to love, to think highly of, to prize, to think well of, to have a high regard for {ww.}
houden van 
waarderen 
hechten aan
mogen

I prize
you prize
we prize

ik waardeer
jij waardeert
wij waarderen
» meer vervoegingen van waarderen

People love freedom.
Mensen houden van vrijheid.
We love our children.
Wij houden van onze kinderen.
premium, prize, award, bounty, reward {zn.}
prijs 
premie  [v]
Each of them was given a prize.
Ieder van hen kreeg een prijs.
He won the prize last week.
Hij won vorige week de prijs.
to esteem, to prise, to prize, to respect, to value {ww.}
verwaardigen

I prize
you prize
we prize

ik verwaardig
jij verwaardigt
wij verwaardigen
» meer vervoegingen van verwaardigen

to jimmy, to lever, to prise, to prize, to pry {ww.}
wippen

I prize
you prize
we prize

ik wip
jij wipt
wij wippen
» meer vervoegingen van wippen

to esteem, to prise, to prize, to respect, to value {ww.}
achten
hoogachten
hoogschatten
ophebben

I prize
you prize
we prize

ik acht
jij acht
wij achten
» meer vervoegingen van achten

to esteem, to prise, to prize, to respect, to value {ww.}
respecteren

I prize
you prize
we prize

ik respecteer
jij respecteert
wij respecteren
» meer vervoegingen van respecteren

They respect him.
Ze respecteren hem.
to esteem, to prise, to prize, to respect, to value {ww.}
waarderen
appreciëren

I prize
you prize
we prize

ik waardeer
jij waardeert
wij waarderen
» meer vervoegingen van waarderen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Each of them was given a prize.

Ieder van hen kreeg een prijs.

He won the prize last week.

Hij won vorige week de prijs.

She boasted of having won the first prize.

Ze pochte met het winnen van de eerste prijs.

I was able to win the first prize.

Ik kon de eerste prijs winnen.

The girl was given a prize for good conduct.

Het meisje kreeg een prijs voor goed gedrag.

Each of the three boys won a prize.

Elk van de drie jongens hebben een prijs gewonnen.

It is true that he won first prize.

Het is waar dat hij de eerste prijs gewonnen heeft.

He didn't jump high enough to win a prize.

Hij sprong niet hoog genoeg om een prijs te winnen.

I competed with him for the first prize.

Ik streed met hem om de eerste prijs.

It appears that he will win first prize.

Het lijkt dat hij de eerste prijs zal winnen.

He did his best; otherwise he would not have won the first prize.

Hij heeft zijn best gedaan; anders had hij de eerste prijs niet gewonnen.

Mother Teresa used the prize money for her work in India and around the world.

Moeder Teresa gebruikte het prijzengeld voor haar werk in India en over de wereld.