Vertaling van gezeten
gegoed
gezeten
welgesteld {bn.}
in de gevangenis zitten {ww.}
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
zitten {ww.}
ik heb geposeerd
jij hebt geposeerd
hij/zij/het heeft geposeerd
ik heb geposeerd
jij hebt geposeerd
hij/zij/het heeft geposeerd
» meer vervoegingen van poseren
draagkrachtig
gezeten
gefortuneerd
gegoed
kapitaalkrachtig
vermogend
welgesteld
in bonis
rijk {bn.}
rondlopen {ww.}
ik heb rondgelopen
ik had rondgelopen
ik zal rondgelopen hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
staan
zitten
lopen
liggen {ww.}
ik heb gedaan
ik had gedaan
ik zal gedaan hebben
ik heb gedaan
ik had gedaan
ik zal gedaan hebben
» meer vervoegingen van doen
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
verkeren
bevinden {ww.}
ik heb bevonden
ik had bevonden
ik zal bevonden hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
logeren
brommen
vastzitten
opknappen
gevangenzitten {ww.}
ik heb gebromd
ik had gebromd
ik zal gebromd hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
neerzitten
zetelen {ww.}
ik heb neergezeten
ik had neergezeten
ik zal neergezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
ik heb gezeten
ik had gezeten
ik zal gezeten hebben
» meer vervoegingen van zitten
toeven
vertoeven
verwijlen
zijn
zitten
bevinden
wezen
ophouden
verkeren
uithangen {ww.}
ik heb bevonden
ik had bevonden
ik zal bevonden hebben
ik heb gepoosd
ik had gepoosd
ik zal gepoosd hebben
» meer vervoegingen van pozen