Vertaling van staan

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

Wij staan voor democratie.
Wij staan voor democratie.
In zijn kamer staan veel meubels.
In zijn kamer staan veel meubels.
staan, kleden, omkleden, aankleden {ww.}
staan
kleden
omkleden
aankleden {ww.}

ik kleed aan
jij kleedt aan
hij/zij/het kleedt aan

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

Je dient je correct te kleden voor deze winkel.
Je dient je correct te kleden voor deze winkel.
De laden van de archiefkast staan open.
De laden van de archiefkast staan open.
staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

Er staan miljarden sterren aan de hemel.
Er staan miljarden sterren aan de hemel.
Je hoeft niet op te staan.
Je hoeft niet op te staan.
staan, verhouden {ww.}
staan
verhouden {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

staan {ww.}
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat
» meer vervoegingen van staan

ogen, staan {ww.}
ogen
staan {ww.}

ik oog
jij oogt
hij/zij/het oogt

ik oog
jij oogt
hij/zij/het oogt
» meer vervoegingen van ogen

Maria heeft blauwe ogen.
Maria heeft blauwe ogen.
Hij sloot de ogen.
Hij sloot de ogen.
doen, staan, zitten, lopen, liggen {ww.}
doen
staan
zitten
lopen
liggen {ww.}

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet
» meer vervoegingen van doen

Alle bussen zitten vol.
Alle bussen zitten vol.
Nee, ga zitten.
Nee, ga zitten.
symboliseren, verzinnebeelden, staan {ww.}
symboliseren
verzinnebeelden
staan {ww.}

ik sta
jij staat
hij/zij/het staat

ik symboliseer
jij symboliseert
hij/zij/het symboliseert
» meer vervoegingen van symboliseren



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Wij staan voor democratie.

Wij staan voor democratie.

In zijn kamer staan veel meubels.

In zijn kamer staan veel meubels.

Er staan miljarden sterren aan de hemel.

Er staan miljarden sterren aan de hemel.

De laden van de archiefkast staan open.

De laden van de archiefkast staan open.

Je hoeft niet op te staan.

Je hoeft niet op te staan.

De vrouwen staan voor de bibliotheek.

De vrouwen staan voor de bibliotheek.

Haaien staan bekend om hun bloeddorstig karakter.

Haaien staan bekend om hun bloeddorstig karakter.

Waar staan de letters WHO voor?

Waar staan de letters WHO voor?

De bestanden staan in de juiste volgorde.

De bestanden staan in de juiste volgorde.

Er staan fouten in deze telefoonrekening.

Er staan fouten in deze telefoonrekening.

Op de Amerikaanse vlag staan vijftig sterren.

Op de Amerikaanse vlag staan vijftig sterren.

Ze staan op het punt weg te gaan.

Ze staan op het punt weg te gaan.

Er staan niet veel boeken op deze planken.

Er staan niet veel boeken op deze planken.

Hem werd gezegd op te staan en dat deed hij.

Hem werd gezegd op te staan en dat deed hij.

Hij heeft meer dan genoeg geld op de bank staan.

Hij heeft meer dan genoeg geld op de bank staan.