Vertaling van klappen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
slaan, kloppen, meppen, klappen, houwen {ww.}
slaan
kloppen
meppen
klappen
houwen {ww.}

ik houw
jij houwt
hij/zij/het houwt

ik sla
jij slaat
hij/zij/het slaat
» meer vervoegingen van slaan

Ik heb een oplossing gevonden, maar ik had ze zo snel, dat ze niet kan kloppen.
Ik heb een oplossing gevonden, maar ik had ze zo snel, dat ze niet kan kloppen.
Het was niet mijn bedoeling hem te slaan.
Het was niet mijn bedoeling hem te slaan.
slaan, opvallen, kloppen, klappen {ww.}
slaan
opvallen
kloppen
klappen {ww.}

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt

ik sla
jij slaat
hij/zij/het slaat
» meer vervoegingen van slaan

Ik heb mijn oranje sjaal en witte schort zeer helder gemaakt, zodat het mensen gelijk zou opvallen.
Ik heb mijn oranje sjaal en witte schort zeer helder gemaakt, zodat het mensen gelijk zou opvallen.
Ik vind het eigenlijk leuk om je te slaan.
Ik vind het eigenlijk leuk om je te slaan.
klappen, applaudisseren {ww.}
klappen
applaudisseren {ww.}

ik applaudisseer
jij applaudisseert
hij/zij/het applaudisseert

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt
» meer vervoegingen van klappen

klikken, klappen, kletteren, klakken {ww.}
klikken
klappen
kletteren
klakken {ww.}

ik klak
jij klakt
hij/zij/het klakt

ik klik
jij klikt
hij/zij/het klikt
» meer vervoegingen van klikken

klappen {ww.}
klappen {ww.}

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt
» meer vervoegingen van klappen

klappen, klikken {ww.}
klappen
klikken {ww.}

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt
» meer vervoegingen van klappen

klap (mv. klappen), klets, klop, slag [m], tik, veeg {zn.}
klap (mv. klappen)
klets
klop
slag [m]
tik
veeg {zn.}
flap [m], houw, klap (mv. klappen), mep, slag [m] {zn.}
flap [m]
houw
klap (mv. klappen)
mep
slag [m] {zn.}
houw, klap (mv. klappen), schop, slag [m], stoot, tik {zn.}
houw
klap (mv. klappen)
schop
slag [m]
stoot
tik {zn.}
praten, klappen {ww.}
praten
klappen {ww.}

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt

ik praat
jij praat
hij/zij/het praat
» meer vervoegingen van praten

Misschien kunnen we praten.
Misschien kunnen we praten.
Wij praten graag.
Wij praten graag.
petsen, klappen {ww.}
petsen
klappen {ww.}

ik klap
jij klapt
hij/zij/het klapt

ik pets
jij petst
hij/zij/het petst
» meer vervoegingen van petsen

haal [m] (de ~), klap [m] (de ~), peer [m] (de ~), opflikker, muilpeer [m] (de ~), fleer {zn.}
haal [m] (de ~)
klap [m] (de ~)
peer [m] (de ~)
opflikker
muilpeer [m] (de ~)
fleer {zn.}
Ik haal goede cijfers.
Ik haal goede cijfers.
Haal dat van je hoofd af.
Haal dat van je hoofd af.
klap [m] (de ~), smak [m] (de ~), bons [m] (de ~) {zn.}
klap [m] (de ~)
smak [m] (de ~)
bons [m] (de ~) {zn.}
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
klap (mv. klappen), schok [m] (de ~), slag [m] (de ~) {zn.}
klap (mv. klappen)
schok [m] (de ~)
slag [m] (de ~) {zn.}
klap (mv. klappen) [m] (de ~), gepraat [o] (het ~) {zn.}
klap (mv. klappen) [m] (de ~)
gepraat [o] (het ~) {zn.}