Vertaling van onderwerpen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
onderwerpen, knechten {ww.}
onderwerpen
knechten {ww.}

ik knecht
jij knecht
hij/zij/het knecht

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt
» meer vervoegingen van onderwerpen

We spraken over verschillende onderwerpen.
We spraken over verschillende onderwerpen.
onderwerpen, knechten {ww.}
onderwerpen
knechten {ww.}

ik knecht
jij knecht
hij/zij/het knecht

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt
» meer vervoegingen van onderwerpen

onderwerpen {ww.}
onderwerpen {ww.}

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt
» meer vervoegingen van onderwerpen

onderwerpen, blootstellen {ww.}
onderwerpen
blootstellen {ww.}

ik stel bloot
jij stelt bloot
hij/zij/het stelt bloot

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt
» meer vervoegingen van onderwerpen

onderwerpen {ww.}
onderwerpen {ww.}

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt

ik onderwerp
jij onderwerpt
hij/zij/het onderwerpt
» meer vervoegingen van onderwerpen

apropos [o], onderwerp (mv. onderwerpen), stof, thema {zn.}
apropos [o]
onderwerp (mv. onderwerpen)
stof
thema {zn.}
ding [o], mikpunt, object, onderwerp (mv. onderwerpen), voorwerp {zn.}
ding [o]
mikpunt
object
onderwerp (mv. onderwerpen)
voorwerp {zn.}
onderwerp (mv. onderwerpen), stof, subject {zn.}
onderwerp (mv. onderwerpen)
stof
subject {zn.}
bedwingen, onderwerpen, kleinkrijgen {ww.}
bedwingen
onderwerpen
kleinkrijgen {ww.}

ik bedwing
jij bedwingt
hij/zij/het bedwingt

ik bedwing
jij bedwingt
hij/zij/het bedwingt
» meer vervoegingen van bedwingen

Soms kan ik mijn emoties niet bedwingen.
Soms kan ik mijn emoties niet bedwingen.
Soms kan ik mijn emoties niet bedwingen.
Soms kan ik mijn emoties niet bedwingen.
gegeven [o] (het ~), punt [o] (het ~), onderwerp [o] (het ~), thema [o] (het ~), item [o] (het ~), issue [m] (de/het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~)
punt [o] (het ~)
onderwerp [o] (het ~)
thema [o] (het ~)
item [o] (het ~)
issue [m] (de/het ~) {zn.}
Ons thema van de week is: _____.
Ons thema van de week is: _____.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
onderwerp [o] (het ~), subject [o] (het ~) {zn.}
onderwerp [o] (het ~)
subject [o] (het ~) {zn.}
Er zijn heel wat boeken over het onderwerp.
Er zijn heel wat boeken over het onderwerp.


Gerelateerd aan onderwerpen

knechten - blootstellen - apropos - onderwerp - stof - thema - ding - mikpunt - object - voorwerp - subject - bedwingen - kleinkrijgen - gegeven - puntaanwenden - laten - inzetten - toegeven - dwingen - betekenis - zinsdeel