Vertaling van trappen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
trappen,  {ww.}
trappen
 {ww.}

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt
» meer vervoegingen van trappen

trappen, schoppen {ww.}
trappen
schoppen {ww.}

ik schop
jij schopt
hij/zij/het schopt

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt
» meer vervoegingen van trappen

trappen, treden {ww.}
trappen
treden {ww.}

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt
» meer vervoegingen van trappen

peddelen, trappen {ww.}
peddelen
trappen {ww.}

ik peddel
jij peddelt
hij/zij/het peddelt

ik peddel
jij peddelt
hij/zij/het peddelt
» meer vervoegingen van peddelen

trappen {ww.}
trappen {ww.}

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt

ik trap
jij trapt
hij/zij/het trapt
» meer vervoegingen van trappen

schop, trap (mv. trappen) {zn.}
schop
trap (mv. trappen) {zn.}
graad, mate, trap (mv. trappen) {zn.}
graad
mate
trap (mv. trappen) {zn.}
trap (mv. trappen) {zn.}
trap (mv. trappen) {zn.}
schot [o], smash, trap (mv. trappen) {zn.}
schot [o]
smash
trap (mv. trappen) {zn.}
opgang [m], trap (mv. trappen) [m] {zn.}
opgang [m]
trap (mv. trappen) [m] {zn.}
scheppen, trappen, schoppen {ww.}
scheppen
trappen
schoppen {ww.}

ik schep
jij schept
hij/zij/het schept

ik schep
jij schept
hij/zij/het schept
» meer vervoegingen van scheppen

Ik heb niks om over op te scheppen.
Ik heb niks om over op te scheppen.
Het blijkt dat dit een zeer gunstige factor is voor ons project, dat juist als doel heeft in samenwerking een netwerk te scheppen van vertalingen in zoveel mogelijk talen.
Het blijkt dat dit een zeer gunstige factor is voor ons project, dat juist als doel heeft in samenwerking een netwerk te scheppen van vertalingen in zoveel mogelijk talen.
fietsen, trappen, peddelen, pedaleren, paddelen {ww.}
fietsen
trappen
peddelen
pedaleren
paddelen {ww.}

ik fiets
jij fietst
hij/zij/het fietst

ik fiets
jij fietst
hij/zij/het fietst
» meer vervoegingen van fietsen

Ik moet fietsen.
Ik moet fietsen.
Auto's vervingen de fietsen.
Auto's vervingen de fietsen.
trap [m] (de ~), rakettrap {zn.}
trap [m] (de ~)
rakettrap {zn.}
Er komt iemand de trap op.
Er komt iemand de trap op.
Zij ging vlug de trap op.
Zij ging vlug de trap op.
trap [m] (de ~) {zn.}
trap [m] (de ~) {zn.}
Hij ging langzaam de trap op.
Hij ging langzaam de trap op.
Tom duwde Mary van de trap af.
Tom duwde Mary van de trap af.
trap [m] (de ~) {zn.}
trap [m] (de ~) {zn.}
Ze ging de trap op naar haar slaapkamer.
Ze ging de trap op naar haar slaapkamer.
trap [m] (de ~), schop [m] (de ~) {zn.}
trap [m] (de ~)
schop [m] (de ~) {zn.}
interval [o] (het ~), trap [m] (de ~) {zn.}
interval [o] (het ~)
trap [m] (de ~) {zn.}
stadium [o] (het ~), fase [v] (de ~), ontwikkelingsstadium, trap [m] (de ~) {zn.}
stadium [o] (het ~)
fase [v] (de ~)
ontwikkelingsstadium
trap [m] (de ~) {zn.}


Gerelateerd aan trappen

- schoppen - treden - peddelen - schop - trap - graad - mate - schot - smash - opgang - scheppen - fietsen - pedaleren - paddelenbewerken - trappen - zetten - treffen - karren - onderdeel - vorm - constructie - voorwerp - aanraking - bal - afstand - periode - leuning - trapboom