Betekenis van:
coat

to coat
Werkwoord
  • overtrekken met stof; gekleed, overtrokken
  • put a coat on; cover the surface of; furnish with a surface
"coat the cake with chocolate"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to coat
Werkwoord
  • zich als een koek vastzetten; aan de pan vastbakken; zich vastzetten
  • form a coat over
"Dirt had coated her face"

Synoniemen

Hyperoniemen

to coat
Werkwoord
  • bedekken onder een laag
  • form a coat over
"Dirt had coated her face"

Synoniemen

Hyperoniemen

to coat
Werkwoord
  • vastkoeken
  • form a coat over
"Dirt had coated her face"

Synoniemen

Hyperoniemen

to coat
Werkwoord
    • cover or provide with a coat

    Hyperoniemen

    coat
    Zelfstandig naamwoord
    • troefboer
    • growth of hair or wool or fur covering the body of an animal

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    coat
    Zelfstandig naamwoord
    • laag van haren of veren op de rug van een dier
    • growth of hair or wool or fur covering the body of an animal

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    coat
    Zelfstandig naamwoord
      • a thin layer covering something
      "a second coat of paint"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      coat
      Zelfstandig naamwoord
      • coat
      • an outer garment that has sleeves and covers the body from shoulder down; worn outdoors

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      coat
      Zelfstandig naamwoord
      • jas
      • an outer garment that has sleeves and covers the body from shoulder down; worn outdoors

      Hyperoniemen

      Hyponiemen