Betekenis van:
bevelen

bevelen
Werkwoord
  • een dwingende opdracht geven
"Hij beval zijn soldaten de grens over te steken."
bevelen
Werkwoord
  • commanderen; opdragen; gelasten; bevelen; laten nakomen; bevel geven; opdragen
"je ondergeschikten bevelen"
"de bemanning bevelen zich aan dek te begeven"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bevelen
Werkwoord
  • geven in vertrouwen; toevertrouwen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bevel (het ~ | meervoud bevelen)
Zelfstandig naamwoord
  • opdracht waaraan gehoorzaamd moet worden
"een bevel tot [arrestatie/uitzetting/beslaglegging"
"bevel is bevel"

Synoniemen

Hyperoniemen

bevel (het ~ | meervoud bevelen)
Zelfstandig naamwoord
  • leiding
"het bevel voeren"
"onder bevel van [iemand]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord