Vertaling van falls

Inhoud:

Engels
Nederlands
falls, waterfall {zn.}
waterval [m] (de ~)
A waterfall of sweat began to pour down my face.
Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.
falls, waterfall {zn.}
cascade [v] (de ~)
falls, waterfall {zn.}
cataract
to fall, to fall off, to tumble down, to decline, to drop {ww.}
afvallen 
afvallig worden
uitvallen

he/she/it falls

hij/zij/het valt af
» meer vervoegingen van afvallen

to decrease, to diminish, to drop, to fall, to reduce, to shrink {ww.}
afnemen 
slinken
tanen
verflauwen
verminderen 

he/she/it falls

hij/zij/het neemt af
» meer vervoegingen van afnemen

to drop, to fall, to lapse {ww.}
vallen 
afvallen 
neervallen
verschieten

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to fall, to flow, to hang {ww.}
vallen

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to fall, to fall down {ww.}
vallen
bliksemen
duvelen
kletteren
kukelen
neerkletteren
ploffen
sodemieteren
lazeren
mieteren
donderen
flikkeren

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to fall {ww.}
sneuvelen
sneven
vallen

he/she/it falls

hij/zij/het sneuvelt
» meer vervoegingen van sneuvelen

to fall, to fall down {ww.}
smakken

he/she/it falls

hij/zij/het smakt
» meer vervoegingen van smakken

to come down, to fall, to precipitate {ww.}
neerkomen

he/she/it falls

hij/zij/het komt neer
» meer vervoegingen van neerkomen

to decrease, to diminish, to fall, to lessen {ww.}
minderen

he/she/it falls

hij/zij/het mindert
» meer vervoegingen van minderen

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
dalen

he/she/it falls

hij/zij/het daalt
» meer vervoegingen van dalen

to decrease, to diminish, to fall, to lessen {ww.}
achteruitlopen
teruglopen
afnemen
slabakken
verminderen
minderen

he/she/it falls

hij/zij/het loopt achteruit
» meer vervoegingen van achteruitlopen

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
zakken

he/she/it falls

hij/zij/het zakt
» meer vervoegingen van zakken

to fall {ww.}
vallen

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to fall {ww.}
vallen

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to fall {ww.}
vallen

he/she/it falls

hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

to accrue, to fall {ww.}
vervallen

he/she/it falls

hij/zij/het vervalt
» meer vervoegingen van vervallen

to fall {ww.}
ondergaan

he/she/it falls

hij/zij/het ondergaat
» meer vervoegingen van ondergaan

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
afklimmen

he/she/it falls

hij/zij/het klimt af
» meer vervoegingen van afklimmen

to come down, to fall, to precipitate {ww.}
neerslaan

he/she/it falls

hij/zij/het slaat neer
» meer vervoegingen van neerslaan

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
neerdalen

he/she/it falls

hij/zij/het daalt neer
» meer vervoegingen van neerdalen

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
afgaan

he/she/it falls

hij/zij/het gaat af
» meer vervoegingen van afgaan

to fall, to flow, to hang {ww.}
hangen

he/she/it falls

hij/zij/het hangt
» meer vervoegingen van hangen

to come down, to descend, to fall, to go down {ww.}
zakken

he/she/it falls

hij/zij/het zakt
» meer vervoegingen van zakken


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

It falls on Sunday.

Het valt op zondag.

He often falls in love.

Hij wordt vaak verliefd.

The night falls fast in winter.

In de winter wordt het vroeg donker.

My father's birthday falls on Sunday this year.

Mijn vaders verjaardag valt dit jaar op een zondag.

My father often falls asleep while watching TV.

Mijn vader valt vaak in slaap voor de TV.

In Esperanto, the main stress always falls on the second-to-last syllable.

In het Esperanto valt het woordaccent altijd op de voorlaatste lettergreep.