Vertaling van afgelopen
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij {bn.}
afgelopen
gereed
klaar {bn.}
uitgaan
verlopen
uitraken
uitlopen
eindigen
aflopen {ww.}
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb opgehouden
ik had opgehouden
ik zal opgehouden hebben
» meer vervoegingen van ophouden
overgaan
schalmen
kleppen
galmen
beieren
aflopen {ww.}
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb geluid
ik had geluid
ik zal geluid hebben
» meer vervoegingen van luiden
zich bukken
overhellen
hellen
aflopen {ww.}
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb gebogen
ik had gebogen
ik zal gebogen hebben
» meer vervoegingen van buigen
aflopen
doorgaan
gaan door {ww.}
ik heb afgelegd
jij hebt afgelegd
hij/zij/het heeft afgelegd
ik heb afgelegd
jij hebt afgelegd
hij/zij/het heeft afgelegd
» meer vervoegingen van afleggen
afgelopen
jongstleden
laatstleden {bn.}
aflopen
hellen {ww.}
hij/zij/het heeft afgeheld
hij/zij/het had afgeheld
hij/zij/het zal afgeheld hebben
hij/zij/het heeft afgeheld
hij/zij/het had afgeheld
hij/zij/het zal afgeheld hebben
» meer vervoegingen van afhellen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
aflopen {ww.}
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb gerateld
ik had gerateld
ik zal gerateld hebben
» meer vervoegingen van ratelen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen
Voorbeelden in zinsverband
Morgen is de conferentie afgelopen.
Morgen is de conferentie afgelopen.
Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.
Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.
Wat heb je afgelopen zondag gedaan?
Wat heb je afgelopen zondag gedaan?
Waarom belde je me niet afgelopen nacht?
Waarom belde je me niet afgelopen nacht?
Wat heb je afgelopen nacht gedaan?
Wat heb je afgelopen nacht gedaan?
Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.
Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.
Zijn zoon is het afgelopen jaar gestorven.
Zijn zoon is het afgelopen jaar gestorven.
Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.
Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.
Zijn broer is afgelopen maand overleden.
Zijn broer is afgelopen maand overleden.
Ze was afgelopen maand in Amerika.
Ze was afgelopen maand in Amerika.
Afgelopen jaar kreeg ik een beroerte.
Afgelopen jaar kreeg ik een beroerte.
Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.
Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.
Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.
Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.
We hebben goed weer gehad de afgelopen tijd.
We hebben goed weer gehad de afgelopen tijd.
Afgelopen zondag ben ik naar het park gegaan.
Afgelopen zondag ben ik naar het park gegaan.