Vertaling van afgelopen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij {bn.}
afgelopen
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij {bn.}
af, afgelopen, gereed, klaar {bn.}
af
afgelopen
gereed
klaar {bn.}
ophouden, uitgaan, verlopen, uitraken, uitlopen, eindigen, aflopen {ww.}
ophouden
uitgaan
verlopen
uitraken
uitlopen
eindigen
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb opgehouden
ik had opgehouden
ik zal opgehouden hebben
» meer vervoegingen van ophouden

Het regende zonder ophouden.
Het regende zonder ophouden.
Laat ons ophouden.
Laat ons ophouden.
luiden, overgaan, schalmen, kleppen, galmen, beieren, aflopen {ww.}
luiden
overgaan
schalmen
kleppen
galmen
beieren
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb geluid
ik had geluid
ik zal geluid hebben
» meer vervoegingen van luiden

Voor wie luiden de klokken?
Voor wie luiden de klokken?
buigen, zich bukken, overhellen, hellen, aflopen {ww.}
buigen
zich bukken
overhellen
hellen
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb gebogen
ik had gebogen
ik zal gebogen hebben
» meer vervoegingen van buigen

Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door {ww.}
afleggen
aflopen
doorgaan
gaan door {ww.}

ik heb afgelegd
jij hebt afgelegd
hij/zij/het heeft afgelegd

ik heb afgelegd
jij hebt afgelegd
hij/zij/het heeft afgelegd
» meer vervoegingen van afleggen

verleden, afgelopen, jongstleden, laatstleden {bn.}
verleden
afgelopen
jongstleden
laatstleden {bn.}
afhellen, aflopen, hellen {ww.}
afhellen
aflopen
hellen {ww.}

hij/zij/het heeft afgeheld
hij/zij/het had afgeheld
hij/zij/het zal afgeheld hebben

hij/zij/het heeft afgeheld
hij/zij/het had afgeheld
hij/zij/het zal afgeheld hebben
» meer vervoegingen van afhellen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

ratelen, aflopen {ww.}
ratelen
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb gerateld
ik had gerateld
ik zal gerateld hebben
» meer vervoegingen van ratelen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen

aflopen {ww.}
aflopen {ww.}

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben

ik heb afgelopen
ik had afgelopen
ik zal afgelopen hebben
» meer vervoegingen van aflopen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Morgen is de conferentie afgelopen.

Morgen is de conferentie afgelopen.

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

Wat heb je afgelopen zondag gedaan?

Wat heb je afgelopen zondag gedaan?

Waarom belde je me niet afgelopen nacht?

Waarom belde je me niet afgelopen nacht?

Wat heb je afgelopen nacht gedaan?

Wat heb je afgelopen nacht gedaan?

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

Zijn zoon is het afgelopen jaar gestorven.

Zijn zoon is het afgelopen jaar gestorven.

Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.

Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.

Zijn broer is afgelopen maand overleden.

Zijn broer is afgelopen maand overleden.

Ze was afgelopen maand in Amerika.

Ze was afgelopen maand in Amerika.

Afgelopen jaar kreeg ik een beroerte.

Afgelopen jaar kreeg ik een beroerte.

Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.

Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.

Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.

Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.

We hebben goed weer gehad de afgelopen tijd.

We hebben goed weer gehad de afgelopen tijd.

Afgelopen zondag ben ik naar het park gegaan.

Afgelopen zondag ben ik naar het park gegaan.