Vertaling van belasten
ik belast
jij belast
hij/zij/het belast
ik belast
jij belast
hij/zij/het belast
» meer vervoegingen van belasten
belasten
belasting heffen op
aanslaan {ww.}
ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan
ik veraccijns
jij veraccijnst
hij/zij/het veraccijnst
» meer vervoegingen van veraccijnzen
inladen
belasten
beladen {ww.}
ik belaad
jij belaadt
hij/zij/het belaadt
ik laad
jij laadt
hij/zij/het laadt
» meer vervoegingen van laden
opnemen
verplichten
aannemen
belasten {ww.}
ik neem aan
jij neemt aan
hij/zij/het neemt aan
ik aanvaard
jij aanvaardt
hij/zij/het aanvaardt
» meer vervoegingen van aanvaarden
drukken
belasten {ww.}
ik belast
jij belast
hij/zij/het belast
ik rust
jij rust
hij/zij/het rust
» meer vervoegingen van rusten
belasten
opdragen {ww.}
ik belast
jij belast
hij/zij/het belast
ik geef op
jij geeft op
hij/zij/het geeft op
» meer vervoegingen van opgeven
fiscaliseren
belasten {ww.}
ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan
ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan
» meer vervoegingen van aanslaan
belasten {ww.}
ik belast
jij belast
hij/zij/het belast
ik debiteer
jij debiteert
hij/zij/het debiteert
» meer vervoegingen van debiteren