Vertaling van strook

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
strook {zn.}
strook {zn.}
band [m], windsel, strook, strip, reep {zn.}
band [m]
windsel
strook
strip
reep {zn.}
De band is lek.
De band is lek.
Haar favoriete band is Warpaint.
Haar favoriete band is Warpaint.
val, volant, strook {zn.}
val
volant
strook {zn.}
"Val!" riep hij toen hij haar herkende.
"Val!" riep hij toen hij haar herkende.
Val niet voor één van zijn oude truuks.
Val niet voor één van zijn oude truuks.
band [m], wapenbalk, strook, streep, reep {zn.}
band [m]
wapenbalk
strook
streep
reep {zn.}
Mijn fiets heeft een lekke band.
Mijn fiets heeft een lekke band.
Kan je die lekke band nu herstellen?
Kan je die lekke band nu herstellen?
strook [m] (de ~) {zn.}
strook [m] (de ~) {zn.}
kloppen, tot een overeenkomst komen, het eens worden, stroken, rijmen, overeenstemmen, bijeenpassen, accorderen {ww.}
kloppen
tot een overeenkomst komen
het eens worden
stroken
rijmen
overeenstemmen
bijeenpassen
accorderen {ww.}

ik accordeer
jij accordeert
hij/zij/het accordeert

ik klop
jij klopt
hij/zij/het klopt
» meer vervoegingen van kloppen

Ik heb een oplossing gevonden, maar ik had ze zo snel, dat ze niet kan kloppen.
Ik heb een oplossing gevonden, maar ik had ze zo snel, dat ze niet kan kloppen.
instemmen, kloppen, ondersteunen, aansluiten, rijmen, bijeenpassen, stroken, samengaan, overeenstemmen, het eens zijn, onderschrijven, schragen, bijvallen, accorderen {ww.}
instemmen
kloppen
ondersteunen
aansluiten
rijmen
bijeenpassen
stroken
samengaan
overeenstemmen
het eens zijn
onderschrijven
schragen
bijvallen
accorderen {ww.}

ik sluit aan
jij sluit aan
hij/zij/het sluit aan

ik stem in
jij stemt in
hij/zij/het stemt in
» meer vervoegingen van instemmen

De mensen op kantoor zullen nooit instemmen.
De mensen op kantoor zullen nooit instemmen.
Ik zou me graag bij jullie groep aansluiten.
Ik zou me graag bij jullie groep aansluiten.
kloppen, bijeenpassen, rijmen, accorderen, stroken, overeenstemmen, samengaan, het eens zijn, goedkeuren, sanctioneren, goedvinden, fiatteren {ww.}
kloppen
bijeenpassen
rijmen
accorderen
stroken
overeenstemmen
samengaan
het eens zijn
goedkeuren
sanctioneren
goedvinden
fiatteren {ww.}

ik accordeer
jij accordeert
hij/zij/het accordeert

ik klop
jij klopt
hij/zij/het klopt
» meer vervoegingen van kloppen

overeenstemmen, het eens zijn, samengaan, accorderen, stroken, bijeenpassen, rijmen, kloppen {ww.}
overeenstemmen
het eens zijn
samengaan
accorderen
stroken
bijeenpassen
rijmen
kloppen {ww.}

ik accordeer
jij accordeert
hij/zij/het accordeert

ik stem overeen
jij stemt overeen
hij/zij/het stemt overeen
» meer vervoegingen van overeenstemmen

accorderen, concorderen, sporen, stroken, sluiten, corresponderen, overeenstemmen, rijmen, overeenkomen, congrueren {ww.}
accorderen
concorderen
sporen
stroken
sluiten
corresponderen
overeenstemmen
rijmen
overeenkomen
congrueren {ww.}

ik accordeer
jij accordeert
hij/zij/het accordeert

ik accordeer
jij accordeert
hij/zij/het accordeert
» meer vervoegingen van accorderen