Vertaling van val

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
val, valstrik, slag [m] {zn.}
val
valstrik
slag [m] {zn.}
Het is een valstrik!
Het is een valstrik!
"Val!" riep hij toen hij haar herkende.
"Val!" riep hij toen hij haar herkende.
val, valkuil, valknip {zn.}
val
valkuil
valknip {zn.}
Val niet voor één van zijn oude truuks.
Val niet voor één van zijn oude truuks.
De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.
De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.
val {zn.}
val {zn.}
Ik val maar meteen met de deur in huis. Je bent ontslagen.
Ik val maar meteen met de deur in huis. Je bent ontslagen.
Voor hoogmoedigen verandert roem snel in schande", "Hoogmoed komt voor de val
Voor hoogmoedigen verandert roem snel in schande", "Hoogmoed komt voor de val
val, volant, strook {zn.}
val
volant
strook {zn.}
val, verzakking [v], daling [v] {zn.}
val
verzakking [v]
daling [v] {zn.}
sneuvelen, vallen {ww.}
sneuvelen
vallen {ww.}

ik sneuvel
jij sneuvelt
hij/zij/het sneuvelt

ik sneuvel
jij sneuvelt
hij/zij/het sneuvelt
» meer vervoegingen van sneuvelen

vallen, afvallen, neervallen, verschieten {ww.}
vallen
afvallen
neervallen
verschieten {ww.}

ik val af
jij valt af
hij/zij/het valt af

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen {ww.}
vallen {ww.}

ik val
jij valt
hij/zij/het valt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

Laat vallen.
Laat vallen.
Waar gehakt wordt vallen spaanders.
Waar gehakt wordt vallen spaanders.
vallen, ressorteren {ww.}
vallen
ressorteren {ww.}

ik ressorteer
jij ressorteert
hij/zij/het ressorteert

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen {ww.}
vallen {ww.}

ik val
jij valt
hij/zij/het valt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

Laat dat glas niet vallen.
Laat dat glas niet vallen.
In oktober beginnen de bladeren te vallen.
In oktober beginnen de bladeren te vallen.
vallen, komen, geraken, raken, treden {ww.}
vallen
komen
geraken
raken
treden {ww.}

ik geraak
jij geraakt
hij/zij/het geraakt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

uitdraaien, uitlopen, uitpakken, vallen, uitmonden, resulteren, uitvallen, leiden, bekomen {ww.}
uitdraaien
uitlopen
uitpakken
vallen
uitmonden
resulteren
uitvallen
leiden
bekomen {ww.}

ik bekom
jij bekomt
hij/zij/het bekomt

ik draai uit
jij draait uit
hij/zij/het draait uit
» meer vervoegingen van uitdraaien

sneuvelen, sneven, vallen {ww.}
sneuvelen
sneven
vallen {ww.}

ik sneuvel
jij sneuvelt
hij/zij/het sneuvelt

ik sneuvel
jij sneuvelt
hij/zij/het sneuvelt
» meer vervoegingen van sneuvelen

vallen, bliksemen, duvelen, kletteren, kukelen, neerkletteren, ploffen, sodemieteren, lazeren, mieteren, donderen, flikkeren {ww.}
vallen
bliksemen
duvelen
kletteren
kukelen
neerkletteren
ploffen
sodemieteren
lazeren
mieteren
donderen
flikkeren {ww.}

ik bliksem
jij bliksemt
hij/zij/het bliksemt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen {ww.}
vallen {ww.}

ik val
jij valt
hij/zij/het valt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen {ww.}
vallen {ww.}

ik val
jij valt
hij/zij/het valt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen {ww.}
vallen {ww.}

ik val
jij valt
hij/zij/het valt

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

Ik ben bang om te vallen.
Ik ben bang om te vallen.
vallen, ergeren, storen {ww.}
vallen
ergeren
storen {ww.}

ik erger
jij ergert
hij/zij/het ergert

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen

vallen, mogen {ww.}
vallen
mogen {ww.}

ik mag
jij mag
hij/zij/het mag

ik val
jij valt
hij/zij/het valt
» meer vervoegingen van vallen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

"Val!" riep hij toen hij haar herkende.

"Val!" riep hij toen hij haar herkende.

Val niet voor één van zijn oude truuks.

Val niet voor één van zijn oude truuks.

De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.

De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.

Ik val maar meteen met de deur in huis. Je bent ontslagen.

Ik val maar meteen met de deur in huis. Je bent ontslagen.

Voor hoogmoedigen verandert roem snel in schande", "Hoogmoed komt voor de val

Voor hoogmoedigen verandert roem snel in schande", "Hoogmoed komt voor de val