Vertaling van uit
van
op {vz.}
uit
vanwege
voor
wegens
met
om {vz.}
passé {bn.}
bedacht {bn.}
uitdrijven
uithalen
uitbrengen
slaken
ontlokken {ww.}
ik ontlok
jij ontlokt
hij/zij/het ontlokt
ik uit
jij uit
hij/zij/het uit
» meer vervoegingen van uiten
verwoorden
uitspreken
uiten
opperen
betuigen {ww.}
ik betuig
jij betuigt
hij/zij/het betuigt
ik druk uit
jij drukt uit
hij/zij/het drukt uit
» meer vervoegingen van uitdrukken
ik uit
jij uit
hij/zij/het uit
ik uit
jij uit
hij/zij/het uit
» meer vervoegingen van uiten
ik uit
jij uit
hij/zij/het uit
ik uit
jij uit
hij/zij/het uit
» meer vervoegingen van uiten
manifesteren
uiten {ww.}
ik manifesteer
jij manifesteert
hij/zij/het manifesteert
ik openbaar
jij openbaart
hij/zij/het openbaart
» meer vervoegingen van openbaren
Voorbeelden in zinsverband
Kijk uit!
Kijk uit!
Uit het oog, uit het hart.
Uit het oog, uit het hart.
Uit het oog, uit het hart.
Uit het oog, uit het hart.
Ik kom uit China.
Ik kom uit China.
Blijf uit de regen.
Blijf uit de regen.
Jane komt uit Australië.
Jane komt uit Australië.
Hij komt uit Genua.
Hij komt uit Genua.
Soms komen dromen uit.
Soms komen dromen uit.
Ik kom uit Noorwegen.
Ik kom uit Noorwegen.
Ik kom uit Nederland.
Ik kom uit Nederland.
Doe uw schoenen uit.
Doe uw schoenen uit.
Dromen komen uit.
Dromen komen uit.
Toms dromen kwamen uit.
Toms dromen kwamen uit.
Iedereen lachte hem uit.
Iedereen lachte hem uit.
Ik kom uit Saitama.
Ik kom uit Saitama.