Betekenis van:
streek

streek (de ~ | meervoud streken)
Zelfstandig naamwoord
  • poets, kattenkwaad
"loense streken"
"een streek uithalen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

streek (de ~ | meervoud streken)
Zelfstandig naamwoord
  • plek v.e. orgaan in het lichaam
"in de streek van [het hart]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

streek
Zelfstandig naamwoord
  • een gebied met een eigen karakter
"Deze streek is bekend om zijn bollenteelt."
streek
Zelfstandig naamwoord
  • een handige manipulatie
"Wat een gemene streek is dat!"
streek
Zelfstandig naamwoord
  • een veeg of streep met een werktuig
"Met een paar streken zette de kunstenaar een goedgelijkende afbeelding op het doek."
streek (de ~ | meervoud streken)
Zelfstandig naamwoord
  • gebied dat als een eenheid beschouwd wordt
"in deze streek"
"een vruchtbare streek"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

streek
Zelfstandig naamwoord
  • plooi in stof of huid; richting waarin haar groeit of valt, of waarin vezels of draden van een weefsel liggen
"De streek van het haar gaat van de haarwortel naar de punt"

Synoniemen

Hyperoniemen

streek (de ~ | meervoud streken)
Zelfstandig naamwoord
  • strijkende beweging/aanraking

Hyperoniemen

Werkwoord