Vertaling van blown

Inhoud:

Engels
Nederlands
blown, pursy, short-winded, winded {bn.}
amechtig
blown, pursy, short-winded, winded {bn.}
kortademig
hijgerig
astmatisch
to fan, to blow {ww.}
aanblazen 

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb aangeblazen
jij hebt aangeblazen
hij/zij/het heeft aangeblazen
» meer vervoegingen van aanblazen

to botch, to bungle, to screw up, to spoil, to blow, to blunder, to flub, to ball {ww.}
verprutsen
verknoeien
verhaspelen
modderen
knoeien
beunhazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb verprutst
jij hebt verprutst
hij/zij/het heeft verprutst
» meer vervoegingen van verprutsen

to blow {ww.}
waaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het heeft gewaaid
zij hebben gewaaid
hij/zij/het had gewaaid
» meer vervoegingen van waaien

to blow {ww.}
blazen
waaien

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
opstuiven
opvliegen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik ben opgestoven
jij bent opgestoven
hij/zij/het is opgestoven
» meer vervoegingen van opstuiven

to blow {ww.}
blazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to ball up, to blow, to bobble, to bodge, to bollix, to bollix up, to bollocks, to bollocks up, to botch, to botch up, to bumble, to bungle, to flub, to fluff, to foul up, to fuck up, to fumble, to louse up, to mess up, to mishandle, to muck up, to muff, to screw up, to spoil {ww.}
mispeuteren
verbroddelen
verbrodden
verbruien
verhaspelen
verknallen
verknollen
versjteren
verstieren
verknoeien
verprutsen
bederven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb mispeuterd
jij hebt mispeuterd
hij/zij/het heeft mispeuterd
» meer vervoegingen van mispeuteren

to ball up, to blow, to bobble, to bodge, to bollix, to bollix up, to bollocks, to bollocks up, to botch, to botch up, to bumble, to bungle, to flub, to fluff, to foul up, to fuck up, to fumble, to louse up, to mess up, to mishandle, to muck up, to muff, to screw up, to spoil {ww.}
infesteren
vergallen
verkankelemienen
verkankeren
verkloten
vergiftigen
verzieken
vertroebelen
verpesten

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik ben geïnfesteerd
jij bent geïnfesteerd
hij/zij/het is geïnfesteerd
» meer vervoegingen van infesteren

to blow {ww.}
blazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to blow {ww.}
afblazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgeblazen
jij hebt afgeblazen
hij/zij/het heeft afgeblazen
» meer vervoegingen van afblazen

to blow {ww.}
blazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to blow, to fellate, to go down on, to suck {ww.}
afzuigen
pijpen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgezogen
jij hebt afgezogen
hij/zij/het heeft afgezogen
» meer vervoegingen van afzuigen

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
uitwaaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het heeft uitgewaaid
zij hebben uitgewaaid
hij/zij/het had uitgewaaid
» meer vervoegingen van uitwaaien

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
afdrijven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgedreven
jij hebt afgedreven
hij/zij/het heeft afgedreven
» meer vervoegingen van afdrijven

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
meedrijven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb meegedreven
jij hebt meegedreven
hij/zij/het heeft meegedreven
» meer vervoegingen van meedrijven

to blow, to shove along, to shove off {ww.}
afduwen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgeduwd
jij hebt afgeduwd
hij/zij/het heeft afgeduwd
» meer vervoegingen van afduwen

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
overwaaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het is overgewaaid
zij zijn overgewaaid
hij/zij/het was overgewaaid
» meer vervoegingen van overwaaien

to blow {ww.}
loswaaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het is losgewaaid
zij zijn losgewaaid
hij/zij/het was losgewaaid
» meer vervoegingen van loswaaien

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
uitbranden

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb uitgebrand
jij hebt uitgebrand
hij/zij/het heeft uitgebrand
» meer vervoegingen van uitbranden

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
drijven
zeilen
zweven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb gedreven
jij hebt gedreven
hij/zij/het heeft gedreven
» meer vervoegingen van drijven

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
doorsmeulen

he/she/it has blown
he/she/it had blown
he/she/it will have blown

hij/zij/het heeft doorgesmeuld
hij/zij/het had doorgesmeuld
hij/zij/het zal doorgesmeuld hebben
» meer vervoegingen van doorsmeulen

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
stuiven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb gestoven
jij hebt gestoven
hij/zij/het heeft gestoven
» meer vervoegingen van stuiven

to blow {ww.}
spuiten

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb gespoten
jij hebt gespoten
hij/zij/het heeft gespoten
» meer vervoegingen van spuiten

to blow {ww.}
afzuigen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgezogen
jij hebt afgezogen
hij/zij/het heeft afgezogen
» meer vervoegingen van afzuigen

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
uitrazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik ben uitgeraasd
jij bent uitgeraasd
hij/zij/het is uitgeraasd
» meer vervoegingen van uitrazen

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
uitwaaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het heeft uitgewaaid
zij hebben uitgewaaid
hij/zij/het had uitgewaaid
» meer vervoegingen van uitwaaien

to blow {ww.}
blazen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
doorbranden

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb doorgebrand
jij hebt doorgebrand
hij/zij/het heeft doorgebrand
» meer vervoegingen van doorbranden

to blow {ww.}
waaien

he/she/it has blown
they have blown
he/she/it had blown

hij/zij/het heeft gewaaid
zij hebben gewaaid
hij/zij/het had gewaaid
» meer vervoegingen van waaien

to blow, to blow out, to burn out {ww.}
doorbranden

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb doorgebrand
jij hebt doorgebrand
hij/zij/het heeft doorgebrand
» meer vervoegingen van doorbranden

to ball up, to blow, to bobble, to bodge, to bollix, to bollix up, to bollocks, to bollocks up, to botch, to botch up, to bumble, to bungle, to flub, to fluff, to foul up, to fuck up, to fumble, to louse up, to mess up, to mishandle, to muck up, to muff, to screw up, to spoil {ww.}
haspelen

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb gehaspeld
jij hebt gehaspeld
hij/zij/het heeft gehaspeld
» meer vervoegingen van haspelen

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
afdrijven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb afgedreven
jij hebt afgedreven
hij/zij/het heeft afgedreven
» meer vervoegingen van afdrijven

to blow, to bluster, to boast, to brag, to gas, to gasconade, to shoot a line, to swash, to tout, to vaunt {ww.}
schetteren

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geschetterd
jij hebt geschetterd
hij/zij/het heeft geschetterd
» meer vervoegingen van schetteren

to ball up, to blow, to bobble, to bodge, to bollix, to bollix up, to bollocks, to bollocks up, to botch, to botch up, to bumble, to bungle, to flub, to fluff, to foul up, to fuck up, to fumble, to louse up, to mess up, to mishandle, to muck up, to muff, to screw up, to spoil {ww.}
stuntelen
hannesen
haspelen
klunzen
krukken

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb gestunteld
jij hebt gestunteld
hij/zij/het heeft gestunteld
» meer vervoegingen van stuntelen

to blow {ww.}
blazen
waaien

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb geblazen
jij hebt geblazen
hij/zij/het heeft geblazen
» meer vervoegingen van blazen

to blow, to squander, to waste {ww.}
verspillen
verkwanselen
verkwisten
vermorsen
doordraaien

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik heb verspild
jij hebt verspild
hij/zij/het heeft verspild
» meer vervoegingen van verspillen

to be adrift, to blow, to drift, to float {ww.}
opstuiven

I have blown
you have blown
he/she/it has blown

ik ben opgestoven
jij bent opgestoven
hij/zij/het is opgestoven
» meer vervoegingen van opstuiven