Betekenis van:
cross

cross
Zelfstandig naamwoord
  • kruising van twee soorten; kruising van verwante planten of dieren
  • (genetics) an organism that is the offspring of genetically dissimilar parents or stock; especially offspring produced by breeding plants or animals of different varieties or breeds or species
"a mule is a cross between a horse and a donkey"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • door zo'n kruising ontstane soort
  • (genetics) an organism that is the offspring of genetically dissimilar parents or stock; especially offspring produced by breeding plants or animals of different varieties or breeds or species
"a mule is a cross between a horse and a donkey"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • in taal
  • (genetics) an organism that is the offspring of genetically dissimilar parents or stock; especially offspring produced by breeding plants or animals of different varieties or breeds or species
"a mule is a cross between a horse and a donkey"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • icoon van Christelijke kerk
  • a representation of the structure on which Jesus was crucified; used as an emblem of Christianity or in heraldry

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • twee elkaar snijdende lijnen of balken
  • a wooden structure consisting of an upright post with a transverse piece

Hyperoniemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • bevruchting bij planten en dieren van exemplaren van een soort of ras door exemplaren van een ander ras
  • (genetics) the act of mixing different species or varieties of animals or plants and thus to produce hybrids

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • uiting van waardering in een cijfer
  • a marking that consists of lines that cross each other

Synoniemen

Hyperoniemen

cross
Zelfstandig naamwoord
  • halfbloed
  • (genetics) an organism that is the offspring of genetically dissimilar parents or stock; especially offspring produced by breeding plants or animals of different varieties or breeds or species
"a mule is a cross between a horse and a donkey"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cross
Zelfstandig naamwoord
    • any affliction that causes great suffering
    "that is his cross to bear"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    cross
    Zelfstandig naamwoord
    • kruisje
    • a wooden structure consisting of an upright post with a transverse piece

    Hyperoniemen

    cross
    Zelfstandig naamwoord
    • kruispaal
    • a wooden structure consisting of an upright post with a transverse piece

    Hyperoniemen

    cross
    Zelfstandig naamwoord
    • hybride
    • (genetics) the act of mixing different species or varieties of animals or plants and thus to produce hybrids

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    cross
    Zelfstandig naamwoord
    • ridderkruis
    • a wooden structure consisting of an upright post with a transverse piece

    Hyperoniemen

    cross
    Bijvoeglijk naamwoord
    • orthogonaal
    • extending or lying across; in a crosswise direction; at right angles to the long axis
    "cross members should be all steel"

    Synoniemen

    cross
    Bijvoeglijk naamwoord
    • niet scherp
    • annoyed and irritable

    Synoniemen

    cross
    Bijvoeglijk naamwoord
    • stomp
    • annoyed and irritable

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    cross
    Bijvoeglijk naamwoord
    • transversaal
    • extending or lying across; in a crosswise direction; at right angles to the long axis
    "cross members should be all steel"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to cross
    Werkwoord
    • over iets heen varen
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • een kruis zetten door
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • over iets heen gaan
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • naar de overkant gaan
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • doen mislukken
    • hinder or prevent (the efforts, plans, or desires) of

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • over iets heen gaan
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
    • in stukken knippen
    • travel across or pass over

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to cross
    Werkwoord
      • fold so as to resemble a cross
      "she crossed her legs"

      Hyperoniemen

      to cross
      Werkwoord
      • hybridiseren, kruisen
      • breed animals or plants using parents of different races and varieties
      "cross a horse and a donkey"
      "Mendel tried crossbreeding"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to cross
      Werkwoord
      • bastaarderen
      • breed animals or plants using parents of different races and varieties
      "cross a horse and a donkey"
      "Mendel tried crossbreeding"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to cross
      Werkwoord
        • meet and pass
        "the trains crossed"

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        to cross
        Werkwoord
          • trace a line through or across
          "cross your `t'"

          Hyperoniemen

          to cross
          Werkwoord
          • ontmoeten, kruisen, snijden
          • meet at a point

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          Hyponiemen

          to cross
          Werkwoord
          • overspannen
          • to cover or extend over an area or time period

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          to cross
          Werkwoord
          • torpederen
          • hinder or prevent (the efforts, plans, or desires) of

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          Hyponiemen

          Werkwoord