Betekenis van:
hopen

hopen
Werkwoord
  • graag willen (hopen op)
"op goed weer hopen"

Hyperoniemen

hopen
Werkwoord
  • wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
"Hij hoopte dat hij zijn proefwerk had gehaald."
hopen
Werkwoord
  • ophopen; opstapelen; opstapelen; stapels maken; opstapelen; stapelen
"het graan hopen"
"op elkaar gehoopt"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoop (de ~ | meervoud hopen)
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"op een hoop"
"iets op één hoop gooien met iets anders"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoop (de ~ | meervoud hopen)
Zelfstandig naamwoord
  • drol; broodje; drol; drol; vaste ontlasting; hoeveelheid menselijke of dierlijke uitwerpselen
"pas op, trap niet in die hoop"
"een hoop doen"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoop (de ~ | meervoud hopen)
Zelfstandig naamwoord
  • zijn voorkeur bepalen voor (een of meer uit een aantal personen of zaken)
"een hoop [werk/geld]"
"ik heb nog een hoop te doen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord