Vertaling van put

Inhoud:

Engels
Nederlands
to put {ww.}
aanspannen

I put
you put
we put

ik span aan
jij spant aan
wij spannen aan
» meer vervoegingen van aanspannen

to express, to put, to register {ww.}
betuigen
opperen
uitdrukken
uiten
uitspreken
verwoorden

I put
you put
we put

ik betuig
jij betuigt
wij betuigen
» meer vervoegingen van betuigen

to articulate, to put, to state, to utter, to voice {ww.}
uitdrukken
uitspreken
vellen
verwoorden

I put
you put
we put

ik druk uit
jij drukt uit
wij drukken uit
» meer vervoegingen van uitdrukken

to lay down, to place, to put, to put down, to lay, to set {ww.}
leggen 
steken
plaatsen 
stellen
stoppen 
zetten 
doen 

I put
you put
we put

ik leg
jij legt
wij leggen
» meer vervoegingen van leggen

put, put option {zn.}
putoptie
to cast, to couch, to frame, to put, to redact {ww.}
inkleden
brengen

I put
you put
we put

ik kleed in
jij kleedt in
wij kleden in
» meer vervoegingen van inkleden

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
leggen

I put
you put
we put

ik leg
jij legt
wij leggen
» meer vervoegingen van leggen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
opstellen

I put
you put
we put

ik stel op
jij stelt op
wij stellen op
» meer vervoegingen van opstellen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
steken

I put
you put
we put

ik steek
jij steekt
wij steken
» meer vervoegingen van steken

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
doen
stoppen
steken

I put
you put
we put

ik doe
jij doet
wij doen
» meer vervoegingen van doen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
stellen
plaatsen

I put
you put
we put

ik stel
jij stelt
wij stellen
» meer vervoegingen van stellen

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
investeren

I put
you put
we put

ik investeer
jij investeert
wij investeren
» meer vervoegingen van investeren

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
beleggen

I put
you put
we put

ik beleg
jij belegt
wij beleggen
» meer vervoegingen van beleggen

to cast, to couch, to frame, to put, to redact {ww.}
koetsen

I put
you put
we put

ik koets
jij koetst
wij koetsen
» meer vervoegingen van koetsen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
leggen
neerleggen
voorleggen
deponeren
rusten

I put
you put
we put

ik leg
jij legt
wij leggen
» meer vervoegingen van leggen

In May, all birds lay an egg.
In mei leggen alle vogeltjes een ei.
to cast, to couch, to frame, to put, to redact {ww.}
inlijsten
encadreren
lijsten

I put
you put
we put

ik lijst in
jij lijst in
wij lijsten in
» meer vervoegingen van inlijsten

to arrange, to order, to put, to set up {ww.}
structureren
ordenen
rangschikken
schikken

I put
you put
we put

ik structureer
jij structureert
wij structureren
» meer vervoegingen van structureren

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
plaatsen
uitzetten

I put
you put
we put

ik plaats
jij plaatst
wij plaatsen
» meer vervoegingen van plaatsen

I can place the palms of my hands on the floor without bending my knees.
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
to assign, to put {ww.}
aanbreken

I put
you put
we put

ik breek aan
jij breekt aan
wij breken aan
» meer vervoegingen van aanbreken

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
vastzetten
vastleggen

I put
you put
we put

ik zet vast
jij zet vast
wij zetten vast
» meer vervoegingen van vastzetten

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
aanzetten

I put
you put
we put

ik zet aan
jij zet aan
wij zetten aan
» meer vervoegingen van aanzetten


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Put on your pajamas.

Trek je pyjama aan.

She put on socks.

Ze trok sokken aan.

Put on your cap.

Doe je muts op.

May I put it here?

Mag ik het hier neerzetten?

Tom put on his swimsuit.

Tom trok zijn zwemkleding aan.

He put on clean trousers.

Hij deed een propere broek aan.

That'll put you in danger.

Dat zal je in gevaar brengen.

Put everything in my basket.

Leg alles in mijn korf.

He put aside the book.

Hij legde het boek aan de kant.

Please put your cigarette out.

Doof uw sigaret a.u.b.

Don't put the cart before the horse.

Men moet het paard niet achter de wagen spannen.

The car continued to put on speed.

De auto bleef versnellen.

He did not put up his hand.

Hij stak zijn hand niet op.

I put my coat on inside out.

Ik deed mijn jas binnenstebuiten aan.

Put some water into the vase.

Doe wat water in de vaas.


Gerelateerd aan put

express - register - articulate - state - utter - voice - lay down - place - put down - lay - set - put option - cast - couch - frameoption - advise - lay - stand - apply - dig - displace - pass - commit - process - alter - domiciliate - unlock