Betekenis van:
zinnen

zinnen (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • verstand
"bij zinnen komen"
"(niet) goed bij zinnen zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

zin (de ~ | meervoud zinnen)
Zelfstandig naamwoord
  • orgaan voor waarneming; zintuig
"de vijf zinnen"
"de zesde zin"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zin (de ~ | meervoud zinnen)
Zelfstandig naamwoord
  • gestructureerde reeks woorden
"een zin ontleden"
"een enkelvoudige zin"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zin (de ~ | meervoud zinnen)
Zelfstandig naamwoord
  • wat men van iem. of iets vindt, hoe men oordeelt
"zijn eigen zin volgen"
"zoveel hoofden, zoveel zinnen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zin (de ~ | meervoud zinnen)
Zelfstandig naamwoord
  • doel; bedoeling; voornemen om iets te bereiken; gedachten
"van zins"
"iets uit zijn zinnen zetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

zin (de ~ | meervoud zinnen)
Zelfstandig naamwoord
  • aangename gebeurtenis, omstandigheid
"we wonen hier erg naar onze zin"
"het gaat niet snel genoeg naar mijn zin"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zinnen
Werkwoord
  • de gedachten ergens over laten gaan
"Hij zon op wraak."
zinnen
Werkwoord
  • in de smaak vallen
"Dat zinde hem helemaal niet."
zinnen
Werkwoord
  • nastreven; plannen voorbereiden; mbt. eieren
"op wraak zinnen"
"op middelen zinnen om te ontsnappen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen