Betekenis van:
deksels

deksel (de/het ~ | meervoud deksels)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp gebruikt om iets af te sluiten; deksel
"op ieder potje past een dekseltje"
"het deksel op zijn neus krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Deksels
  2. WC-deksels
  3. closetbrillen en -deksels
  4. Closetbrillen en -deksels, van kunststof
  5. stoppen, deksels, capsules en andere sluitingen
  6. Stoppen, deksels en andere sluitingen, van kunststof
  7. WC-brillen, deksels, toiletpotten en stortbakken
  8. Stoppen, deksels en andere sluitingen, van kunststof
  9. Kurken, stoppen, doppen voor grote flacons, en deksels
  10. Lichte containers, kurken, doppen voor grote flacons, tonnen en deksels
  11. verpakkingsmateriaal (zakken, containers, flessen, deksels) [3923 29 10],
  12. Badkuipen, douchebakken, gootstenen, wasbakken, bidets, closetpotten, -brillen en -deksels, stortbakken en dergelijke sanitaire artikelen, van kunststof
  13. CPA 22.23.12: Badkuipen, wasbakken, closetpotten, -brillen en -deksels, stortbakken en dergelijke sanitaire artikelen, van kunststof
  14. CPA 25.92.13: Stoppen (kroonkurken daaronder begrepen), deksels en flessencapsules, van onedel metaal
  15. Artikelen voor vervoer of verpakking, van kunststof (excl. dozen, kratten, zakken, flessen, flacons, spoelen, klossen e.d., capsules, stoppen, deksels e.d.)