Betekenis van:
neerleggen

neerleggen
Werkwoord
  • vastleggen in geschrift
"voorwaarden in een aantal artikelen neerleggen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

neerleggen
Werkwoord
  • op iets leggen of plaatsen
"Hij legde de hoorn neer."
neerleggen
Werkwoord
  • afstand doen van iets
"Zij legde haar ambt neer."
neerleggen
Werkwoord
  • doodschieten
"Hij werd door de kwade man neergelegd."
neerleggen
Werkwoord
  • een bedrag betalen
"Het bedrag moest vóór 12 uur neergelegd worden."
neerleggen
Werkwoord
  • ''zich ~ bij'' het verzet tegen iets opgeven
"Hij legde zich niet neer bij de uitspraak en ging in hoger beroep."
neerleggen
Werkwoord
  • doen liggen
"het kind in zijn bed neerleggen"
"iets naast zich neerleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

neerleggen
Werkwoord
  • (het verschuldigde bedrag) aan de rechthebbende doen toekomen, de kosten voldoen (van)
"honderd frank voor een postzegel neerleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

neerleggen
Werkwoord
  • met een vuurwapen of pijl doden
"een tegenstander neerleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

neerleggen
Werkwoord
  • in een register inschrijven; deponeren
"een stuk ter griffie neerleggen"
"de balans bij het Handelsregister neerleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen